Fragment uit Dagboek van een eeuwig 27-jarige

Door M.H.R. Puttmann
Leestijd: acht minuten.

Zondag 3 juni, late tijd.

Lichtgevende wattenstaven aan het plafond, een groezelig tapijt en vier barkrukken met slijtageplekken. Op het bureau liggen schriften, pennen, volgeschreven papieren. Mijn gitaar slaapt op de bank naast drie lege pizzadozen. In plaats van bord op schoot en Studio Sport plof ik op bed; wat de fuck is er het afgelopen weekend gebeurd? Als dit een voorbode wordt van hoe de rest van mijn leven zich ontwikkelt dan kan ik het best de trein terug naar China nemen en daar in een sport- /strafkamp proberen tafeltenniskampioen te worden. Dan trilt mijn mobiel, ik zoek en lees haar naam in het scherm: dat kan er ook wel bij.

Het begon donderdag met een bezoekje aan de huisarts. Terwijl zij met loep en zaklamp – leuk woord in dit verband – de za(a)k onderzocht, vroeg ik me af hoeveel piemels zij in haar leven heeft onderzocht, en vastgehouden, “Fragment uit Dagboek van een eeuwig 27-jarige” verder lezen

Mijn verjaardagsfeestje en de hallucinatiezuurstok

Door M.H.R. Puttmann

Hoor ik geritsel? Het is die korte tijdsspanne van dwaasheid voor je beseft waar te zijn. Als ik omlaag kijk, zie ik waar het geluid vandaan komt. Het is Benjamin mijn kakkerlak die met een wit voorwerpje speelt. Direct schrik ik echt wakker en voel het gat in mijn gebit. Ik raap het tandje van de grond, Benjamin protesteert. ‘Ff niet’, schreeuw ik. Ze schrikt, haar voelsprieten gaan hangen. ‘Sorry’, zeg ik zacht en ik raap haar op en aai haar. Ze begint te spinnen. ‘Ik ben nog een beetje teleurgesteld over vannacht.’ Ze kijkt me begrijpend aan. ‘Kom, we gaan naar beneden dan maak ik eten voor je.’ Ze springt van het bed. Ik volg en stap het halletje in, de lift staat al klaar. Ik ga naar binnen en druk op het knopje van de begane grond. Beneden aangekomen zet ik koffie in de woonkeuken, waar het kookeiland in een witte zee van ruimte ronddrijft. Benjamin’ lift geeft een belletje, ze stapt naar buiten en begint over de grond te rollen. Ze lijkt wel een kat.
Op het aanrecht staan vier vieze wijnglazen – geen één heeft rode lippenstift. Met een kopje koffie ga ik aan tafel zitten, Benjamin knaagt van haar appelschilletjes. Voor mij ligt het tandje, ik denk aan afgelopen nacht.

Gisteravond vierde ik mijn verjaardag met Huibert, Jurre en Aardt. Eerst gingen we uit eten, daarna naar een disco in Amsterdam. Ik was gretig als een tiener die na zijn examen op zupvakantie mag, maar de avond zou een bijzondere wending krijgen.
De eerste signalen daarvoor kwamen toen we wilden vertrekken. Vanwege de aanwezigheid van mijn vrienden was Benjamin de tuin in gevlucht en nu weigerde Madame Antoinette binnen te komen. Onder hard gelach van mijn kameraden, die warm achter het raam stonden, probeerde ik Prinses Beatrix naar binnen te lokken. Moederlijk en met verhoogde stem riep ik: ‘Benjaaamin, Benjááááán kom je bííínnneen.’ Ik schudde met appelschillen terwijl dampen mijn mond verlieten. Na vijftien minuten begon ik mijn geduld te verliezen, vanwege de kou moest ze naar binnen. Ze zat nog steeds parmantig op het randje van de muur – ze kan heel arrogant zijn en maakte geen aanstalte zich te verroeren. Als ik dichterbij kwam, vergrootte ze zich en blies ze. Ze leek wel een kat. Uiteindelijk heb ik haar, terwijl ijspegels aan mijn neus hingen, bewapend met ovenwanten en een bezem van achter beslopen, sprong ik op en joeg haar naar binnen.
Ik leek wel krankzinnig.

Tijdens onze aankomst bij de disco ontdekten we een te lange rij. Vanwege de kou besloten we niet achter aan te sluiten, maar zochten wij verwarming in de vorm van een bruine kroeg waar de waard leunend over zijn biertaps ons begroette. Hij droeg een schort en had een kaal, rond hoofd. Een oog was bedekt met een ooglap en om zijn arm hing een theedoek. De bruine muur hing vol met versleten fotolijsten, toen ik goed keek zag ik afbeeldingen van dode katten, tenminste zo leek het. Op dat moment kwam er een dik exemplaar, een soortement haarbol binnen waggelen.
‘Aha’ zei de waard ‘dat is Jan-Beter Balkende, mijn huiskat. Ik houd van katten, maar ik houd meer van dode katten. Deze gaat morgen de pijp uit, de oven in. Of overmorgen. Ik moet kijken wanneer het water is ontdooit zodat ik hem in de gracht kan gooien.’
‘Moet het niet Jan-Peter Balkende zijn’, vroeg Jurre.
‘Nee natuurlijk niet, dat was onze minister-president, koekenbakker. Willen jullie een biertje, jongens?’
‘Ja, graag. En heeft u ook sterke drank’, vroeg Huibert.
‘Zeker, wat wil je hebben?’
‘Nee, ik lust geen sterke drank. Ik wilde alleen weten of u het heeft.’
‘Helder. Willen jullie poolen?’
‘Liever kaarten.’
‘Ook goed, ik heb namelijk geen pooltafel.’
De waard kwam van achter zijn toog en gaf ons een pakje kaarten. Pas nu zag ik dat hij een houten been had.
‘Ik heb wel de tweeën, zevens, achten, boeren en azen er uit gehaald.’
‘Prima’ riep Aardt ‘ wordt een leuk potje pesten.’
De waard verdween achter zijn toog.
Na veertig potjes waarvan ik er negenendertig won – één keer speelde ik met mijn ogen dicht – zeiden we gedag. Voordat ik de bar verliet, riep de waard iets na.
‘Het is vandaag uw feestdag, dus hier een cadeau.’
Hij gaf mij een zuurstok en we liepen richting de disco. Het was een barre tocht, de Siberische wind sneed als een mes in mijn gezicht. Gelukkig had ik mijn kleurrijke stok en gingen we naar feestgedruis waar vrouwtjes, bronstig als een lekkende vulpennen, wachtten op mijn aanwezigheid, terwijl dj’s Special K, Super X en Malle M hun deuntjes ten gehore brachten.
Ik had er zin in.

Één hap van mijn zuurstok was genoeg om te weten dat de ramp zich had voltrokken, ik voelde mijn lichaam warm worden van angst. Godverdomme, mijn s-brug had losgelaten, toch? Ik dorst niet te voelen aan mijn loszittende neptand en bevond mij in een woestijn van hoop en vrees.
Eenmaal binnen werd de catastrofe – groter dan Nagasaki en Hiroshima samen – in mijn muil zichtbaar: mijn tandje was echt losgeraakt. Ik had een gat in mijn mond ter grote een fietsenstalling voor bakfietsen. Huilend plofte ik op een bankje terwijl mensen vrolijk binnenstapten, wat een galbakken. Zij weten niet hoe het is om gehandicapt te zijn, dacht ik. Ik kon nu onmogelijk laveloos feestvieren met deze beerput. Ik wilde één ding: naar huis.
‘Ik ga naar huis’, zei ik resoluut.
Mijn vrienden schrokken.
‘Zo erg is het toch niet’, hoorde ik.
‘Dit is mijn grootste nachtmerrie’ zei ik betraand ‘hoe kan ik nu feesten zonder remmen en praten met krolse vrouwmensen, die smachten naar mijn zuurstokje.’
‘Niemand ziet het’, zei Jurre. Ook hij huilde – van het lachen.
De enige reden dat je dat zegt, is omdat je mij niet alleen naar huis kan laten gaan, klootzak, dacht ik. Toch kon ik niet naar huis en hen deze avond ontnemen. Ik ben een autist, maar wel een teamspeler die zijn knakkers niet alleen laat – nou ja, niet altijd. Ik telde tot tien met mijn armen om mijn hoofd gevouwen; ik twijfelde als een vrouw.

Even later liep ik door een tunnel van muziek en licht de dampende ruimte in. Het moet een zonderlinge gewaarwording zijn geweest voor de feestvierders om iemand op de dansvloer te zien staan als een verloren flesje cola in een kratje pils. Sommige mensen probeerden een praatje te maken, maar het enige wat ik kon doen was knikken en weglopen. Mij laven aan een overmatig drankmisbruik om de sores te vergeten, wilde ik niet. Stel dat ik de controle zou verliezen, de volgende dag ergens wakker zou worden zonder te weten waar mijn tandje was – liever een aardbeving.

Aardt leek het een goed idee om op de dansvloer een puntzakje frietjes met special K van Kellogg’s te eten, hij had vast honger. Eten van dergelijke waar is verboden en plots voelde hij een krachtige beveiligers arm op zijn schouder. Of hij even mee kon lopen, Jurre, Huibert en ik volgden onmiddellijk. Staand in het halletje – waar ik eerder die avond huilend had gezeten – en omringd door vier bewakers wachtten wij op Aardt’ uitzetting. Hij leek wel een vluchteling, was dit het einde? Verdomme dacht ik, zo mag de avond niet eindigen, dit is mijn feestje gehandicapt of niet. Ik moet iets doen. Opeens kwam er een vijfde boomstam binnen. ‘We hebben een situatie Overlord’, schreeuwde hij. Alle aandacht van de beveiligers verplaatste zich naar hem. Dit was het moment. Ik duwde Aardt terug naar binnen, gaf hem ter camouflage mijn zwarte vest en snel stonden wij weer in een rivier van genot, plezier en schoonheid.
Ik was terug in de martelgang van mijn eigen feestje en stond erbij als een vegetarische Hans Worst die trek had in een hamburger. Tegen zessen was het klaar en konden we naar huis. Eindelijk.

Thuisgekomen dook ik meteen mijn bed in. Na een diepe slaap werd ik wakker en voelde ik bron van warmte onder de dekens, het was niet Benjamin. Ik opende mijn ogen en zag een halve zuurstok op het nachtkastje. Ook voelde ik iets. Een fluwelen vrouwenarm krioelde door mijn borsthaar. Ik draaide mij om en bewonderde een buitencategorie schone dame die mij slaperig aanschouwde.
‘Hallo. Je lijkt op mijn ex.’
‘Klopt’ lachte ze ‘sterker, ik word jouw ex.’
‘Jeetje, loop je niet te hard van stapel?’
‘Nee. Zullen we trouwen?’
‘Nee zeg. Wil je wel een hap van mijn zuurstok?’
‘Zeker, en ook die op je nachtkastje ligt.’
Ze verdween onder de dekens.
Opeens hoorde ik een gil
‘Nachtegaal met roest op zijn stembanden’ schreeuwt ze ‘mijn s-brug heeft losgelaten.’
En ze rende de kamer uit. Vreemd, zeker ook jarig, dacht ik. Ik ging weer slapen en droomde dat ik wakker was, of wakker droomde ik dat ik sliep; verwarrend allemaal.  Was het leven maar zo doorgrondelijke als een zuurstok, maar pas op als je er eentje eet, zeker als jarig bent…

          Einde.

De klaploper en de directeur

Door M.H. van der Putten

De zon straalt als een kacheltje en blaadjes wiegen op een briesje. Twee jongetjes spelen met een bal, een meisje zingt wijsje op haar fiets. Misschien gaat ze wel naar haar vriendje, denkt de klaploper. Op zijn schouder zit Desiderius Jacobus, een groengele papegaai die knaagt op een nootje. De klaploper kijkt op zijn horloge terwijl hij de tijd al weet: kwart voor één, zijn tijd staat stil, net als zijn leven.
Plots wordt zijn toevoer tot zonnestralen verstoord door een gestalte dat vastberaden voor hem staat. Wanneer zijn ogen zijn gewend, ziet hij een aura van deftigheid, met een hoge hoed, wandelstok en snor.
‘Goedemiddag mijnheer’, spreekt de man statig ‘ik werk al jaren in dat enurme kantoor daarginder, ja de zaken gaan inderdaad furtreffelijk.’
Bij het uitspreken van die laatste woorden sluiten zijn ogen iets langer, alsof hij geniet van het woord voortreffelijk.
‘Het afgelopen jaar heeft mijn concern een grote winst geboekt, iets waar wij als bedrijf bijzonder trots op zijn. Het geld stroomt met de snelheid van een waterval binnen.’
Hij zuigt aan de sigaar en wisselt zijn blik van de klaploper naar Desiderius.
‘Nu is het zo dat wij met de raad van bestuur iedere dag in die kamer achter dat grote raam zitten, ziet u wel?’
De klaploper volgt de richting van de dikke vinger en ziet twee grote ramen waarvan er één openstaat. De rijkdom lijkt er als bloed van een open wond uit te vloeien.
‘U moest eens weten’, vervolgt het maatpak ‘hoeveel miljoentjes wij daar op jaarbasis binnen harken, het is gewoon ungelooflijk. We zijn zelfs begonnen met de aanschaf van kunst, want dat schijnt een stabiele investering te zijn in deze roerige tijden van economische instabiliteit.’
Hij snuift en trekt andermaal aan zijn sigaar.
‘Ik zal u vertellen, onze laatste aanschaf op een veiling in New York is een zeldzaam boek, een kostbaar meesterwerk van een beroemd schrijver die van de aardbodem lijkt te zijn verdwenen. Zijn naam is mij ontschoten, dat heb je wel eens, maar de titel weet ik: Yogurt, musclie en compensatie kiwi.’
Dan uit het niets krast Desiderius.
Kuttige klaplong in het kalifaat, Kaaalifaattt.’ 
De directeur schrikt en krabt aan zijn achterhoofd.
‘Let u vooral niet op Desiderius’, zegt de klaploper ‘ik heb hem leren allitereren, maar op de een of andere wijze gebruikt hij altijd vulgair taalgebruik.’
‘Tuberrrrculose taalgebruik in Twente’ klinkt luid. De papegaai voelt een aai over zijn kop. De klaploper vervolgt.
‘Dat boek is mij bekend, een literair pareltje. Maar, iets anders, om zoveel geld te verdienen werkt u vast heel hard?’
‘Hard werken, hard werken’, herpakt de directeur zich ‘werken is het ethos. Sterker: wie niet hard genoeg werkt, wordt er met de jaarlijkse ontslagronde uitgewerkt. Uit gewerkt roepen wij dan’, er verschijnt een grauwe lach ‘nee, even serieus, aan de ziekte van werkschuw hebben wij een broertje dood. Wie niet werkt wie niet wint, zeggen wij. En, u moest trouwens eens weten hoe mijn huis in Bloemsteede eruit ziet. Ja, want ik heb natuurlijk meerdere huizen, dat zult u begrijpen. Een appartement in Monaco, een woning in New York vlakbij Central Park en ow ja, een vrijstaande villa in Sydney. Het zijn stuk voor stuk juweeltjes, gelooft u mij. Het is alleen jammer dat ik weinig tijd heb om er te wonen, druk, druk, druk.’
Even bespeurt de klaploper een vlaag van schaamte in de houding van de directeur, maar dat vermoeden wordt tenietgedaan als hij verdergaat.
‘Enfin, Ik heb trouwens ook prachtige bolides. Werkelijk, de een mooier dan de ander. Mijn favoriet is de Rolls Royce. Wanneer ik een zakenbespreking heb en kom voorrijden met die wagen, dan sta ik al met één nul voor. Nouja, ikzelf kom natuurlijk niet voorrijden dat doet mijn chauffeur. Heerlijk, iemand die mij overal heenbrengt, kan ik op de achterbank werken, dat is efficiëntie in heugste slag.’
De klaploper zou willen vragen of de directeur het niet spijtig vindt dat hij zelf niet rondrijdt in die auto’s, maar de directeur is hem voor.
‘Maar zeg hé, troubadour. Ik ben niet hierheen gekomen om over mijn eigen leven te oreren’, er verschijnt een glinstering over zijn gezicht  ‘nee zeg, ben je mal. Ik kom voor het volgende. Zoals gezegd kijken wij vanuit het kantoor over dit parkje en wat schetst iedere dag weer onze verbazing: jij.’
Hij wijst met zijn stok omlaag.
‘Altijd zit jij met die vogel tegen deze boom te lummelen dus wij dachten: moeten wij die knaap niet eens stimuleren om de handjes uit de mouwen te steken. Hup moeten wij niet aan het werk, schavuit?’
Zelfgenoegzaam tuurt de directeur met zijn slangenleren schoenen naar beneden.
‘Ik heb geen werk’ prevelt de klaploper.
‘Werkeloze wajongtrekker. Werkeloze wajongtrekker’ krast de papegaai.
‘En… hoe houdt u zich in leven?’
De klaploper twijfelt.
‘Om eerlijk te zijn voed ik mij met het voedsel dat uw kantoor dagelijks weggooit.’
Er valt een pregnante stilte, een hond snuffelt in bosjes en begint te blaffen.
‘U moest eens weten’, vervolgt de klaploper ‘wat uw kantoor allemaal voor lekkernijen van de hand doet. Het is bijna zonde, maar u hoort mij niet klagen.’
De directeur gooit zijn sigaar weg en leunt op zijn wandelstok.
‘Goed, goed. Juist ja. Het is bewust beleid van mijn bedrijf om wat over te houden voor de armen.’
‘O, maar meneer ik ben absoluut niet arm’, riposteert de klaploper ‘ik hoop niet dat u een verkeerde indruk van mij hebt, maar als ik op deze wijze aan al die lekkernijen kan komen, waarom zou ik dan anders doen?’
De directeur spits zijn oren.
‘U bent niet arm, zei u?’
De klaploper kijkt hem recht aan alsof hij tot hem is doorgedrongen.
‘Klopt. Ik heb zelfs een vrij groot geldbedrag op mijn rekening staan. Het is alleen’, hij kijkt om zich heen en spreek zacht ‘ik ben mijn pinpas verloren.’
‘Pokdalige, pedofiel met pinpas. Pokdalige pedofiel met pinpas.’
‘Rustig maar’ aait de klaploper, hij geeft Desiderius nog een nootje.
‘Uw pinpas verloren’ stamelt de directeur.
‘Zeker, en nogmaals zolang ik iets niet nodig heb, waarom zou ik het dan willen hebben?’
De snor van de directeur trilt van verbazing, maar hij herpakt zich.
‘Mag ik u vragen waar u uw dagen mee vult?’
‘Zeker, vragen staat immers vrij. Ik doe voornamelijk niets. Ik wandel wat door dit park of de stad, maar het leeuwendeel van mijn tijd zit ik hier en geniet ik van het leven, mijn papegaai, de zon en mensen.
De mond van de directeur is open gaan staan, zijn lippen verbonden door een draadje speeksel.
‘U, u, dus… Dus u doet feitelijk helemaal niets?’
‘Dat is correct en tevens juist als de goedheid van Moeder Theresa. Maar, mag ik u een wedervraag stellen, mijnheer?’
De directeur knikt.
‘Bent ú gelukkig?’
De directeur snuift.  Een frons als een bergrug vormt op zijn voorhoofd.
‘Of ik gelukkig ben’, zegt hij met verheven stem ‘natuurlijk ben ik gelukkig. Ik heb prachtige panden, miljoenen op de bank en een beeldschone vrouw.’
‘Dat vroeg ik niet’, valt de klaploper in de reden ‘ik vroeg of u gelukkig was, niet waarom u gelukkig zou moeten zijn.’
De directeur kijkt hem vragend aan.
‘U denkt dat u vanwege uw kostbaarheden en rijkdom gelukkig bent, maar zo werkt geluk niet. Geluk is niet het kortstondige gevoel dat je krijgt wanneer je iets nieuws koopt, het is intrinsiek en substantieel, een soort muziekdoosje dat vrolijk door een leven twinkelt.’
‘Ho, wacht even’, valt de directeur hem in de reden ‘mag ik u wat vragen eer u verder spreekt.’
‘Natuurlijk.’
‘Ik vind dit allemaal vrij ver gaan, met dat geluk enzo. Ik ben het dan ook oneens met uw redenering en ik zal het bewijzen. Wij met de raad zien u hier altijd lummelen. En wij denken heus niet alleen aan onszelf. Wij proberen goed te doen voor de wereld en hebben besloten u te helpen.’
‘Mij helpen… interessant.’
‘Zeker, luister goed. Dit is een eenmalige aanbieding, daarna zullen onze wegen scheiden als Moses de zee spleet. Wij van de raad willen u iets aanbieden. U mag een wens doen en wij zullen die in vervulling laten gaan. Het mag alles zijn geld, boten, zelfs een huis. En dan zult u zien hoe geluk echt werkt.’
‘Dus ik mag alles wensen om mijn geluk te vergroten?’
De directeur vouwt zijn armen over elkaar.
‘Alles wat binnen onze macht ligt.’
‘Dan zou ik u willen vragen twee stappen opzij te doen zodat ik weer in de zon kan zitten.’
‘Wat’, het lichaam van de directeur verstijft ‘wat, wat zegt u nu?’
‘Of u opzij kan gaan, u staat in de zon.’
Zonder iets te zeggen draait de directeur zich om en loopt met grote passen weg. Maar voordat hij helemaal weg is roept de klaploper nog iets na.
‘De schrijver van het boek Yogurt, musclie en compensatie kiwi heet K.L.A.P de Loper en hij groet u bij deze. Het was aangenaam kennis met u te maken.’

Einde.

Dit verhaal is gebaseerd op een ontmoeting tussen Diogenes en Alexander de Grote. 

Kerstochtend: de status van mijn leven

Nu ben ik weer bezig sinaasappelsap te maken, verdomme Mike. Alles wat ik doe deze ochtend – en niet alleen deze ochtend, maar altijd – staat in het teken om vooral niet te doen wat ik hoor te doen; niet te doen wat ik wil doen. Bijvoorbeeld normaal werk zoeken, het huishouden, schrijven of een levensdoel vinden. Ik denk veel na over mijn leven de laatste tijd en ik ben tot een deerniswekkende constatering gekomen: de status van mijn leven is tot een deplorabel dieptepunt gezakt. Ergens voel ik de prangende noodzaak er iets van te moeten maken, moet ik mijn draai zien te vinden, maar de jas van mijn bestaan past niet goed, alsof je een in het Duits nagesynchroniseerde film bekijkt. Er klopt iets niet.

Echt, als er een auto met deuken rondrijdt zitten er altijd negers in

Mijn werk bestaat momenteel uit het bezorgen van meubels. Dit doe ik drie keer per week. Altijd zit ik samen met een iemand ‘op’ de bus en rijd je gebroederlijk door het ganse land. Ik wil mezelf absoluut niet ophemelen of boven anderen stellen, maar laat ik het zo omschrijven: na mijn sollicitatiegesprek waren ze dusdanig blij dat iemand met een IQ boven honderd zich aandiende dat ze me meteen een driejarig contract lieten tekenen voor het geval ik me zou bedenken. Nu zit ik vast in een hel, ik bevind me liever vastgebonden in een Belgische kelder of de Abu Ghraib gevangenis.

Dus daar zit drie keer per week met iemand ‘op’ de bus die eufemistisch minder probeert te snappen van de wereld dan ik of die zo overtuigd is van zijn gelijk dat een discussie voeren uitgesloten is. Zo moeten volgens persoon A. vluchtelingen worden opgevangen in hun eigen land. Als ik dan tegenwerpt dat mensen uit bijvoorbeeld Syrië niet zo maar huis en haar verlaten dan is dat ‘gewoon wel zo’. Hij vroeg trouwens ook wat Syrië was. Persoon B. had ook een wonderbaarlijke quote: ‘Negers kunnen niet autorijden. Echt als er een auto met deuken rondrijdt zitten er altijd negers in en ik mag dat zeggen, want ik heb zelf een buitenlandse vriendin.’ Na dit gezegd hebbende, lachte persoon B. hartstochtelijk om zijn eigen grap en vrat nog een banaan. Hij eet er vijf per dag. Geen woord van gelogen.
Wanneer woorden van een dusdanige strekking mij bereiken probeer ik te analyseren wat zo iemand bedoelt. Maar dit soort teksten staan zo ver van mijn eigen werkelijkheid dat ze bijna poëtisch zijn, ik snap het gewoon niet.

Ik huilde terwijl de wagentjes weer gingen rijden onder gelukzalige kermisgeluiden

Dat onze liefde niet meer is wat het ooit was constateerden wij al tijdens onze reis. Wij samen ontdekten wereldschoon Australië en het was een memorabel reisje in ons witte busje, maar er waren ook momenten van jeuk, zoals de haartjes kriebelend in je nek na een knipbeurt. Wij besloten dat het anders moest. Hoe? Dat wist niemand, maar doorgaan zoals we deden was geen optie. Dit onbestemde gevoel speelde maanden door en zelfs na mijn terugkomst was de werkelijke schade van dit pruttelende besluit niet geheel tot mij doorgedrongen. Het zou wel goed komen, toch?  Ik kon simpelweg niet bevatten – of wilde dit niet – dat onze achtbaanrit der liefde tot stilstand was gekomen. Ik wilde niet zien dat ik móest uitstappen, een onverbiddelijk einde. Ik huilde en vertrok eenzaam terwijl de wagentjes weer gingen rijden onder gelukzalige kermisgeluiden.
Nog steeds droom ik dat de haartjes der irritatie na een ferme douche verdwijnen, maar er komt geen water, er is geen douche. Deze harde constatering en nieuwe realiteit laat een koude leegte achter in mijn onzekere bestaan. Ik mis haar en ik voel een verterende neiging bij haar te willen zijn, met haar te zijn.  Alles is veranderlijk, zelf onze affectie.

Godverdomme.

Gezien mijn onzekerheden behoor ik al lang in een tunnel van depressie zijn te geraakt, ik heb geen idee, wil geen idee en wacht hopeloos op iets wat nooit zal komen. Mijn hoop op liefde is verloren, verzonken als de Titanic. Als ik dat ene, dat kostbare niet had gehad was ik daags na mijn terugkomst in Nederland in een dwangbuis meegenomen naar een gekkenhuis. Daar zou ik tussen lotgenoten fantaseren over hoe mooi een leven zou kunnen zijn. Ik zou meimeren over hoe verziekt de mensheid is, hoe het kan dat populisten als een schimmel over samenlevingen trekken. Ik zou wenen, schreeuwen, krijsen hoe wij met z’n alle de wereld naar de klote helpen.

Vriendschap is als een oude VHS band van een gedenkwaardige jeugdfilm

Dit alles zou werkelijkheid zijn geworden als ik datgene niet had gehad wat ik wel heb: vriendschappen. Godverdommde, waar heb ik ze aan te danken? Mijn vriend uit Amsterdam: ik herinner me hoe je kwam aan rennen op Amsterdam CS. Ik kom echt snel bij je slapen, beloofd. Mijn reisende metgezel en trouwe fan: volgende keer gaan wij samen op pad. Wij vervallen niet in terminale burgerlijkheid. S.K.: jij maakt dingen bij me los die niemand losmaakt, je bent een met goud vervuld bonbonnetje gemaakt van de zuiverste chocolade belegd met marsepein. Maar je bent ook onuitstaanbaar als Pino die schreeuwt in het Duits.
Maar mijn harten Koning, mijn zwarte zwaan, mijn klompje goud,  mijn belichaming van Achilles, James Dean en George Clooney, mijn huisvester, mijn financieel adviseur – en vooral redder -, mijn joodse slijper, mijn mondharmonicanist, mijn bullseye, hole-in-one, én strike in één; mijn perfecte golf, mijn ippon, mijn reddingsboei, mijn-condoompie-op-het-moment-dat-je-er-écht-een-nodig-hebt; jij bent mijn Prozac, Paroxetine, en Sertraline versneden tot een zuiver goedje, jij bent Zeus en mijn Nobelprijs der vriendschap. Ja, jij mijn trouwe vriend.
Vaak deed ik domme dingen, maar je bent er onvoorwaardelijk als een grote broer. Als ik ooit de kans krijg terug te doen wat je voor allemaal voor me doet dan zou ik dat doen. Heb je ooit een nier nodig? Jij krijgt de mijne, of mijn long of hartklep, je vraagt maar. Je mag het allemaal hebben. Ik ben je dankbaar.
De liefde is een schijnspel als een matig decor van een slecht toneelstuk in een buurthuis in Emmeloord, geregisseerd door iemand met een houten been en longemfyseem die zelf ook beseft hoe abominabel en abject zijn werk is. Vriendschap daarentegen is als een oude VHS band van een gedenkwaardige jeugdfilm die je met de juiste techniek, aandacht en procedé tot in de eeuwigheid kunt bekijken zonder oeverloos gejengel en ongekend gezwam. Gewoon vriendschap, simpel doch doeltreffend.

Straks kom je beneden en dan staat er als klein teken van dankbaarheid versgeperste sinaasappelsap voor je klaar. Dat heb je verdiend… O nee, kut vergeten te persen, ik was aan het schrijven. Sorry, weer niet gedaan wat ik hoor te doen…

Xm.

BewarenBewarenBewarenBewaren

BewarenBewaren

De avonturen van de man met de hoed – Hobby’s

En heb je hobby’s’, vraagt de man met de hoed aan de bestuurder van de bestelbus. Verschrikt kijkt de rijder op, zijn hersenen beginnen te tollen als de autobanden. Het verwerken van de vraag en komen tot een helder antwoord in combinatie met autorijden terwijl het buiten regent is een schier onmogelijke opgave voor die paar hersencellen. Een ongemakkelijke stilte tot gevolg. Hij knijpt in het stuur terwijl z’n ooglid begint te trillen. Sigaret, denkt hij, ik heb een sigaret nodig. Met bevende handen steekt hij zijn peuk aan, de rook walmt door zijn longen, hij ontspant. De vraag wordt verder verwerkt: hobby’s, heb ik hobby’s vraagt hij zich zuigend aan de kankerstaaf af. Een auto haalt rechts in. Dat hoort niet, denkt hij verschrikt. Stress neemt weer toe. Nog meer prikkels, ook dat nog. De man met de hoed ziet hoe de bestuurder worstelt met de situatie, hij zucht en kijkt uit het raam. “De avonturen van de man met de hoed – Hobby’s” verder lezen

Werp terug woensdag

Werp terug woensdag

Sados_Kiev

Wouter heeft z’n patiënt gedag gezegd als hij zijn mobiel pakt en ziet dat Michael een bericht heeft gestuurd. Nieuwsgierig leest hij:

Wout, ik heb zo afgesproken met een gast. Ik ga iets vets doen. Als ik vanavond niet heb gereageerd moet je ff de hulpdiensten inschakelen. 😉 Spreek je, hopelijk, vanavond.
Xm.

Toch een beetje bang

Eigenlijk zou dit best fout kunnen aflopen, bedenk ik me plots. Je hoort soms verhalen. Eerst is er een vermissing en later wordt het levenloze lichaam gevonden; verminkt, verkracht, verbrand. Laatst had ik Pulp Fiction gekeken. Misschien speelt de scène waarin Butch (Bruce Willis) door een homofiele politieagent in een weerzinwekkende sm-kelder onder handen worden genomen, ook geen positief effect op mijn zorgwekkende gedachten. Ik zou over twee uur in zo’n ruimte in kunnen stappen, een klap op mijn kop krijgen om vervolgens wakker te worden, naakt en vastgebonden op een bed, terwijl Sados_Kiev met een enorme zwarte dildo staat te grinniken. Mijn fantasie zal wel parten spelen, maar ik moet een noodrem inbouwen in dit plan en dus stuur ik een bericht naar Wout.

“Sados_Kiev” verder lezen

Werp terug woensdag

Loneliness

This is translated by Bo Snitker. 

Mopeds are crawling through gritty streets. There are sounds, and smells, and sights everywhere. Carefully, I walk through a half-opened door. I’m hungry and I think this is a restaurant. When I walk into the half-deserted establishment I’m met with questioning eyes but I sit down anyway. Is it Western arrogance or naïve ignorance? The staff probably thinks its Western arrogance but they help me with flair. I’m offered a menu but I have no idea what to order. I just point at something and hope for the best. I used to be a difficult eater. I would fish the, what I called frilly bits, from my spaghetti. But there is no time for this behaviour during my travels. I just eat it and see what happens. “And a beer please”, because I need one.

I’m never actually alone.

Before my travels I thought I could easily manage the loneliness but it actually feels like torture. Think, for example of my stay in Shepperton or my arrival in Ho Chi Min. As described, I have returned to Ho Chi Min after my Mui Ne Hills adventure and the loneliness has crept back into my heart. After yesterday’s events I have been crying on the shoulder of the person who I like to spent time with most. But she is further away from me now than ever before. But the thought that I might meet her somewhere is keeping me going. I understand love. I understand that love can be diminished. I understand that excitement fades like night fades before day. My heart knows that love doesn’t last and it can be quenched like fire. And that is why I’m in this chaotic city called Ho Chi Min. This city, where sensory stimulation is everywhere. This city, where it is impossible to feel alone. But in this city, which is crawling like an ant colony, I just feel more lonely and downtrodden. I need a hug or any other sign of affection from her.

I’m looking at the restaurant. Outside are a thousand noises. The half-opened door has been closed since I walked in. It looks more like an emergency exit than a regular entrance. Strange really. It is impossible for any new customers to come in because they have also closed the sliding doors. I’m the only customer. Then I see a note that explains everything. I cannot read the words but there is no mistaking the time. 14:00 – 17:00. The restaurant is closed. I have been locked in. But they serve me anyway. The food was great and drinking my beer felt like meeting up with an old friend. When I get up to pay I type a quick sentence into Google Translate. “I’m sorry, I didn’t know you were closed”. They give me a reassuring smile and four kind eyes are staring at me. It makes me feel less alone.