De klaploper en de directeur

Door M.H. van der Putten

De zon straalt als een kacheltje en blaadjes wiegen op een briesje. Twee jongetjes spelen met een bal, een meisje zingt wijsje op haar fiets. Misschien gaat ze wel naar haar vriendje, denkt de klaploper. Op zijn schouder zit Desiderius Jacobus, een groengele papegaai die knaagt op een nootje. De klaploper kijkt op zijn horloge terwijl hij de tijd al weet: kwart voor één, zijn tijd staat stil, net als zijn leven.
Plots wordt zijn toevoer tot zonnestralen verstoord door een gestalte dat vastberaden voor hem staat. Wanneer zijn ogen zijn gewend, ziet hij een aura van deftigheid, met een hoge hoed, wandelstok en snor.
‘Goedemiddag mijnheer’, spreekt de man statig ‘ik werk al jaren in dat enurme kantoor daarginder, ja de zaken gaan inderdaad furtreffelijk.’
Bij het uitspreken van die laatste woorden sluiten zijn ogen iets langer, alsof hij geniet van het woord voortreffelijk.
‘Het afgelopen jaar heeft mijn concern een grote winst geboekt, iets waar wij als bedrijf bijzonder trots op zijn. Het geld stroomt met de snelheid van een waterval binnen.’
Hij zuigt aan de sigaar en wisselt zijn blik van de klaploper naar Desiderius.
‘Nu is het zo dat wij met de raad van bestuur iedere dag in die kamer achter dat grote raam zitten, ziet u wel?’
De klaploper volgt de richting van de dikke vinger en ziet twee grote ramen waarvan er één openstaat. De rijkdom lijkt er als bloed van een open wond uit te vloeien.
‘U moest eens weten’, vervolgt het maatpak ‘hoeveel miljoentjes wij daar op jaarbasis binnen harken, het is gewoon ungelooflijk. We zijn zelfs begonnen met de aanschaf van kunst, want dat schijnt een stabiele investering te zijn in deze roerige tijden van economische instabiliteit.’
Hij snuift en trekt andermaal aan zijn sigaar.
‘Ik zal u vertellen, onze laatste aanschaf op een veiling in New York is een zeldzaam boek, een kostbaar meesterwerk van een beroemd schrijver die van de aardbodem lijkt te zijn verdwenen. Zijn naam is mij ontschoten, dat heb je wel eens, maar de titel weet ik: Yogurt, musclie en compensatie kiwi.’
Dan uit het niets krast Desiderius.
Kuttige klaplong in het kalifaat, Kaaalifaattt.’ 
De directeur schrikt en krabt aan zijn achterhoofd.
‘Let u vooral niet op Desiderius’, zegt de klaploper ‘ik heb hem leren allitereren, maar op de een of andere wijze gebruikt hij altijd vulgair taalgebruik.’
‘Tuberrrrculose taalgebruik in Twente’ klinkt luid. De papegaai voelt een aai over zijn kop. De klaploper vervolgt.
‘Dat boek is mij bekend, een literair pareltje. Maar, iets anders, om zoveel geld te verdienen werkt u vast heel hard?’
‘Hard werken, hard werken’, herpakt de directeur zich ‘werken is het ethos. Sterker: wie niet hard genoeg werkt, wordt er met de jaarlijkse ontslagronde uitgewerkt. Uit gewerkt roepen wij dan’, er verschijnt een grauwe lach ‘nee, even serieus, aan de ziekte van werkschuw hebben wij een broertje dood. Wie niet werkt wie niet wint, zeggen wij. En, u moest trouwens eens weten hoe mijn huis in Bloemsteede eruit ziet. Ja, want ik heb natuurlijk meerdere huizen, dat zult u begrijpen. Een appartement in Monaco, een woning in New York vlakbij Central Park en ow ja, een vrijstaande villa in Sydney. Het zijn stuk voor stuk juweeltjes, gelooft u mij. Het is alleen jammer dat ik weinig tijd heb om er te wonen, druk, druk, druk.’
Even bespeurt de klaploper een vlaag van schaamte in de houding van de directeur, maar dat vermoeden wordt tenietgedaan als hij verdergaat.
‘Enfin, Ik heb trouwens ook prachtige bolides. Werkelijk, de een mooier dan de ander. Mijn favoriet is de Rolls Royce. Wanneer ik een zakenbespreking heb en kom voorrijden met die wagen, dan sta ik al met één nul voor. Nouja, ikzelf kom natuurlijk niet voorrijden dat doet mijn chauffeur. Heerlijk, iemand die mij overal heenbrengt, kan ik op de achterbank werken, dat is efficiëntie in heugste slag.’
De klaploper zou willen vragen of de directeur het niet spijtig vindt dat hij zelf niet rondrijdt in die auto’s, maar de directeur is hem voor.
‘Maar zeg hé, troubadour. Ik ben niet hierheen gekomen om over mijn eigen leven te oreren’, er verschijnt een glinstering over zijn gezicht  ‘nee zeg, ben je mal. Ik kom voor het volgende. Zoals gezegd kijken wij vanuit het kantoor over dit parkje en wat schetst iedere dag weer onze verbazing: jij.’
Hij wijst met zijn stok omlaag.
‘Altijd zit jij met die vogel tegen deze boom te lummelen dus wij dachten: moeten wij die knaap niet eens stimuleren om de handjes uit de mouwen te steken. Hup moeten wij niet aan het werk, schavuit?’
Zelfgenoegzaam tuurt de directeur met zijn slangenleren schoenen naar beneden.
‘Ik heb geen werk’ prevelt de klaploper.
‘Werkeloze wajongtrekker. Werkeloze wajongtrekker’ krast de papegaai.
‘En… hoe houdt u zich in leven?’
De klaploper twijfelt.
‘Om eerlijk te zijn voed ik mij met het voedsel dat uw kantoor dagelijks weggooit.’
Er valt een pregnante stilte, een hond snuffelt in bosjes en begint te blaffen.
‘U moest eens weten’, vervolgt de klaploper ‘wat uw kantoor allemaal voor lekkernijen van de hand doet. Het is bijna zonde, maar u hoort mij niet klagen.’
De directeur gooit zijn sigaar weg en leunt op zijn wandelstok.
‘Goed, goed. Juist ja. Het is bewust beleid van mijn bedrijf om wat over te houden voor de armen.’
‘O, maar meneer ik ben absoluut niet arm’, riposteert de klaploper ‘ik hoop niet dat u een verkeerde indruk van mij hebt, maar als ik op deze wijze aan al die lekkernijen kan komen, waarom zou ik dan anders doen?’
De directeur spits zijn oren.
‘U bent niet arm, zei u?’
De klaploper kijkt hem recht aan alsof hij tot hem is doorgedrongen.
‘Klopt. Ik heb zelfs een vrij groot geldbedrag op mijn rekening staan. Het is alleen’, hij kijkt om zich heen en spreek zacht ‘ik ben mijn pinpas verloren.’
‘Pokdalige, pedofiel met pinpas. Pokdalige pedofiel met pinpas.’
‘Rustig maar’ aait de klaploper, hij geeft Desiderius nog een nootje.
‘Uw pinpas verloren’ stamelt de directeur.
‘Zeker, en nogmaals zolang ik iets niet nodig heb, waarom zou ik het dan willen hebben?’
De snor van de directeur trilt van verbazing, maar hij herpakt zich.
‘Mag ik u vragen waar u uw dagen mee vult?’
‘Zeker, vragen staat immers vrij. Ik doe voornamelijk niets. Ik wandel wat door dit park of de stad, maar het leeuwendeel van mijn tijd zit ik hier en geniet ik van het leven, mijn papegaai, de zon en mensen.
De mond van de directeur is open gaan staan, zijn lippen verbonden door een draadje speeksel.
‘U, u, dus… Dus u doet feitelijk helemaal niets?’
‘Dat is correct en tevens juist als de goedheid van Moeder Theresa. Maar, mag ik u een wedervraag stellen, mijnheer?’
De directeur knikt.
‘Bent ú gelukkig?’
De directeur snuift.  Een frons als een bergrug vormt op zijn voorhoofd.
‘Of ik gelukkig ben’, zegt hij met verheven stem ‘natuurlijk ben ik gelukkig. Ik heb prachtige panden, miljoenen op de bank en een beeldschone vrouw.’
‘Dat vroeg ik niet’, valt de klaploper in de reden ‘ik vroeg of u gelukkig was, niet waarom u gelukkig zou moeten zijn.’
De directeur kijkt hem vragend aan.
‘U denkt dat u vanwege uw kostbaarheden en rijkdom gelukkig bent, maar zo werkt geluk niet. Geluk is niet het kortstondige gevoel dat je krijgt wanneer je iets nieuws koopt, het is intrinsiek en substantieel, een soort muziekdoosje dat vrolijk door een leven twinkelt.’
‘Ho, wacht even’, valt de directeur hem in de reden ‘mag ik u wat vragen eer u verder spreekt.’
‘Natuurlijk.’
‘Ik vind dit allemaal vrij ver gaan, met dat geluk enzo. Ik ben het dan ook oneens met uw redenering en ik zal het bewijzen. Wij met de raad zien u hier altijd lummelen. En wij denken heus niet alleen aan onszelf. Wij proberen goed te doen voor de wereld en hebben besloten u te helpen.’
‘Mij helpen… interessant.’
‘Zeker, luister goed. Dit is een eenmalige aanbieding, daarna zullen onze wegen scheiden als Moses de zee spleet. Wij van de raad willen u iets aanbieden. U mag een wens doen en wij zullen die in vervulling laten gaan. Het mag alles zijn geld, boten, zelfs een huis. En dan zult u zien hoe geluk echt werkt.’
‘Dus ik mag alles wensen om mijn geluk te vergroten?’
De directeur vouwt zijn armen over elkaar.
‘Alles wat binnen onze macht ligt.’
‘Dan zou ik u willen vragen twee stappen opzij te doen zodat ik weer in de zon kan zitten.’
‘Wat’, het lichaam van de directeur verstijft ‘wat, wat zegt u nu?’
‘Of u opzij kan gaan, u staat in de zon.’
Zonder iets te zeggen draait de directeur zich om en loopt met grote passen weg. Maar voordat hij helemaal weg is roept de klaploper nog iets na.
‘De schrijver van het boek Yogurt, musclie en compensatie kiwi heet K.L.A.P de Loper en hij groet u bij deze. Het was aangenaam kennis met u te maken.’

Einde.

Dit verhaal is gebaseerd op een ontmoeting tussen Diogenes en Alexander de Grote. 

Loneliness

This is translated by Bo Snitker. 

Mopeds are crawling through gritty streets. There are sounds, and smells, and sights everywhere. Carefully, I walk through a half-opened door. I’m hungry and I think this is a restaurant. When I walk into the half-deserted establishment I’m met with questioning eyes but I sit down anyway. Is it Western arrogance or naïve ignorance? The staff probably thinks its Western arrogance but they help me with flair. I’m offered a menu but I have no idea what to order. I just point at something and hope for the best. I used to be a difficult eater. I would fish the, what I called frilly bits, from my spaghetti. But there is no time for this behaviour during my travels. I just eat it and see what happens. “And a beer please”, because I need one.

I’m never actually alone.

Before my travels I thought I could easily manage the loneliness but it actually feels like torture. Think, for example of my stay in Shepperton or my arrival in Ho Chi Min. As described, I have returned to Ho Chi Min after my Mui Ne Hills adventure and the loneliness has crept back into my heart. After yesterday’s events I have been crying on the shoulder of the person who I like to spent time with most. But she is further away from me now than ever before. But the thought that I might meet her somewhere is keeping me going. I understand love. I understand that love can be diminished. I understand that excitement fades like night fades before day. My heart knows that love doesn’t last and it can be quenched like fire. And that is why I’m in this chaotic city called Ho Chi Min. This city, where sensory stimulation is everywhere. This city, where it is impossible to feel alone. But in this city, which is crawling like an ant colony, I just feel more lonely and downtrodden. I need a hug or any other sign of affection from her.

I’m looking at the restaurant. Outside are a thousand noises. The half-opened door has been closed since I walked in. It looks more like an emergency exit than a regular entrance. Strange really. It is impossible for any new customers to come in because they have also closed the sliding doors. I’m the only customer. Then I see a note that explains everything. I cannot read the words but there is no mistaking the time. 14:00 – 17:00. The restaurant is closed. I have been locked in. But they serve me anyway. The food was great and drinking my beer felt like meeting up with an old friend. When I get up to pay I type a quick sentence into Google Translate. “I’m sorry, I didn’t know you were closed”. They give me a reassuring smile and four kind eyes are staring at me. It makes me feel less alone.

De liefde

Even schoon als vies, even elegant als weerzinwekkend, even fabelachtig als deplorabel. Eigenlijk, heel eigenlijk is de liefde een gruwelijke samenkomst van twee individuen. Fnuikend, verterend, vernietigend. Niet in het begin. Dan tekent het zich af als een utopische droom in het bestaan. Een onvoorwaardelijke drang om die ander te beminnen als allesoverheersende factor. Rationaliteit verliest, een zelden vertoonde K.O. Het hart is de baas. Samen wordt terwijl dag plaatsmaakt voor nacht gevreeën in het park. Sterren vallen speciaal voor hen. Tijd speelt geen rol. De wereld draagt één doel: het liefhebben van die ander. Een makkelijk en overzichtelijk gegeven.

Maar.
Godverdomme.
Waarom?

Als het langzaam veranderen van kleur door zonlicht verandert er iets. Misschien toch geen K.O. in de ring waar gevoel heerste als usurpator. Ratio kruipt langzaam op . 'Hallo,' klinkt in het hoofd 'is dit wat je wilt?' Het hart pompt onverminderd door, geeft zich niet makkelijk gewonnen. Maar gedachtes blijven komen: 'Ik ben jong, is dit het? We moeten nog lang.' Nu begint de grote klopspier z'n geduld te verliezen: 'Waar ben je mee bezig,' vraagt hij 'het was liefde dat hen samenbracht, ze houden onvoorwaardelijk van elkaar. Dit kan toch niet gebeuren?' Vragen blijven reizen, een intrinsieke veldslag tussen hart en brein. Tussen gevoel en rationaliteit. Het verleden houdt de twee geliefden samen, ze trekken onzeker verder terwijl hoog boven hen sterren zijn gevormd tot een vraagteken. Vrijen in het park gebeurt niet meer. Soms wordt er gepraat, maar angst voor verlies van die ander is groot. Dus doorgaan vanwege iets wat ooit zo mooi was. De liefde verankerd, maar kleuren vervagen.
Alles verandert, en blijft toch hetzelfde. Rust niet gevonden.

Misschien te veel gedachten. De ratio staat inmiddels weer sterkt op zijn benen. Waarom samen varen in en onstuimige rivier?
'Maar zij kunnen toch niet zonder elkaar,' huilt het hart.
'Maar,' riposteert het brein 'moeten ze doorgaan als er vragen zijn?'
'Met vragen heb ik niets te maken. Zij horen simpelweg bij elkaar.'
'Zeker, maar je kan niet ontkennen dat er iets veranderd is.'

Stilte.
Onzekerheid.
Liefde.

Pragmatisch komt rationaliteit met een geniaal idee. Gevoel probeert te knokken, helemaal als het brein doordacht spreekt: 'Waarom zullen wij, jij en ik, elkaar bevechten? Laten we samenwerken, een eenheid vormen.' Het lichaam hervindt rust. Van innige strijd is geen sprake. Er volgt een telefoongesprek met de geliefde aan de andere kant van de wereld: 'Jij bent daar, ik ben hier. Ik gun je uit naam van rationaliteit de vrijheid die je zoekt, waar je behoefte aan hebt.' Kan hun liefde dit aan, is het hart sterk genoeg? De geliefden weten dat de wederzijdse aantrekkingskracht, sterker is dan de honger naar liberté die momenteel heerst. Er wordt gesnikt. Liefde is gruwelijk en wellicht slaan zij de plank helemaal mis, maar soms is het goed, als het even pauze is.

Altijd bij jou.
Xm.

 

 

Rode ballon met groene stoplichtloop

Vingertjes knijpen in het steeltje. Hoog boven Jim’ hoofdje reikt een rode ballon, zijn kostbaarste schat. Samen met Hanck heeft hij vandaag het Lunapark bezocht. Wanneer je ‘s avonds over de Harbour Bridge rijdt weerspiegelen lampjes van deze constante kermis in het water als een kleurig palet. Met zijn andere handje houdt Jimmi de hand van zijn vader vast. Het was een leuke dag. Samen lopen ze richting huis terwijl kleine voetjes twee keer zo snel stappen. ‘Waarom is mijn ballon eigenlijk rood?’ Hoort Hanck plots vragen.
‘Omdat de ballonnenbouwer bij de kraam waar we hem kochten, hem rood heeft geverfd’, zegt hij vriendelijke tegen zijn zoon en hoopt dat er geen vervolgvraag komt.
‘En waar komt rode verf vandaan?’ Hanck bekijkt het mannetje. Hij zou kunnen uitleggen dat kleuren op het netvlies worden opgevangen door receptoren: de kegeltjes en staafjes. Kegeltjes zetten geel, rood en blauw om in kleuren en zijn dus verantwoordelijk voor een kleurrijk leven. Er zijn twee keer zo veel kegeltjes voor rood als voor groen, en ook blauw. Staafjes daarentegen zijn nodig voor ‘lage lichtomstandigheden’ en vormen de nachtkijkers. Hij zou verder kunnen gaan en vertellen dat lichtprikkels door onze hersenen worden omgezet in beeldinformatie.
Oogbollen, irissen en alles wat daarmee samenhangt zijn geen enkel probleem voor de KNO-arts in het Sydney Eye Hospital, maar hij besluit anders: ‘Kun je nog herinneren dat wij twee dagen geleden een regenboog zagen?’ Er wordt geknikt. ‘Er is een grote verffabriek voor de kleur rood, een voor blauw en een voor geel. In die fabrieken krijgen dingen hun kleur. Jouw ballon is in de rode verffabriek geverfd. Iedere fabriek heeft grote vrachtwagens die op zoek gaan naar regenbogen. Ik denk zelfs dat je de rode vrachtwagen wel eens hebt zien rijden…’ 
Jimmi kijkt zijn vader vragend aan… ‘Ja, er stond Coca Cola op en was helemaal rood van de verf. Als er een regenboog is, rijdt zo’n grote vrachtwagen erheen en vult zich met rode verf.’
Berusting in het wezentje. Z
onder iets te zeggen, loopt hij verder mee aan de hand van zijn vader. In zijn ene handje stevig z’n ballon, in de andere voelt hij de veilige hand van zijn vader. Ze naderen een rood verkeerslicht op de kruising van Bourke st. en William st. Vader knijpt zacht, ze stoppen.
‘En waar komt oranje dan vandaan?’ Vraagt Jimmi kijkend naar het stoplicht.
‘Dat weet je wel. Zelf heb je wel eens met je verfdoos kleuren gemaakt toch. Weet je nog toen je geel mixte met rood. Inderdaad, daar kwam oranje uit.’ Het stoplicht springt op groen en voordat de vraagt komt, vervolgd Hanck: ‘Groen maak je door geel en blauw te mixen.’ Ze steken over. Jimmi kijkt naar zijn ballon die zich nog steeds hoog in de lucht begeeft.
‘Op school heb ik geleerd’, zegt Jimmi voorzichtig, bang dat hij iets vraagt wat zijn vader niet weet, ‘dat regenbogen er alleen zijn als het regent. Maar soms regent het heel lang niet. Hoe komen de fabrieken dan aan kleuren?’
‘Ik denkt dat fabrieken grote gebouwen hebben waar ze kleuren opslaan.’ Hanck stopt even, ze passeren een elektronicawinkel. Hij vervolgt: ‘Heb je de tv bij oma en opa wel eens gezien?’
‘Die grote gekke?’
‘Ja, daar hebben we toch wel eens gekeken naar kinderprogramma’s die pappa vroeger zag. Die programma’s hadden geen kleur, weet je hoe dat kwam?’
‘Nou?’
‘Omdat het toen heel lang niet had geregend en de kleuren bijna op waren. Ze konden geen kleuren meer gebruiken voor televisie.’ 
Even twijfelt Hanck om te zeggen dat kleding toen ook kleurloos was en roodharigen niet werden geboren, maar hij houdt zich in. Tevreden lopen ze door.
‘Ik vind mijn ballon mooi, pappa.’
‘Ik ook, heel mooi zelfs.’

Auto’s rijden toeterend door straten aan de voet van wolkenkrabbers. Mensen lopen als mieren door elkaar. Hoe het precies gebeurde weet zelfs Hanck niet. Misschien was het een windvlaag of zat hij niet goed vastgeknoopt, maar plots raakt de rode bal van lucht los van het steeltje en dartelt als een balletje weg. Jimmi schrikt, maakt aanstalten om achter zijn schat aan te gaan, maar wordt tegengehouden. Te gevaarlijk. Weg ballon, weg schat.  

Tweeëndertig minuten eerder, iets verderop.

Ik stap uit bus 438 en haal diep adem. Heerlijk. Het is vreemd zo ver van huis te zijn. Als nieuweling hier rond te lopen terwijl alles, gebouwen, mensen, het eten, voelt als een vertrouwde spijkerbroek. Ik ben op reis, want mijn generatie gaat na hun studie de wereld ontdekken – zichzelf ontdekken. De kamer van het verantwoordelijke leven wordt vermeden; wij zijn op zoek naar genot, plezier en zelfontplooiing; hedonisme als hoogste goed. Werken kan altijd nog. Dus dwaal ik door Sydney, geen idee waar heen te gaan, de link met mijn eigen leven snel gemaakt.
Het is plezierig om zaterdagmiddag door het centrum van Haarlem te struinen. Ik aanschouw daar onze consumentistische maatschappij in optima forma: ik haat het. Mensen slepen tassen voort gevuld met nodeloze waar: ik houd ervan. Hier in Sydney is het niet anders, sterker: eigenlijk is het erger, groter, massaler. Komt daar mijn snelle onverklaarbare liefde voor deze stad vandaan? Ik nader een kruispunt, de vier stoplichten rood gekleurd. Maar net als ik er ben, springen er twee op groen. Ik laat me leiden door deze verandering en steek over. Ik loop een blok en geniet van alles om me heen. Bij het volgende kruispunt staan de lichten weer op rood, maar ik vind dat ik moet blijven lopen, dus sla ik rechts de hoek om tot het volgende blok. Een idee geboren: rood is de hoek om, bij groen steek ik over.

‘Wat doe je zoal, als je op reis bent?’ is een veelgehoorde vraag. Ik zou kunnen zeggen dat ik met mijn busje langs de Oostkust van Australië heb gereden. Ik genoot van prachtige natuur, lieflijke stranden en ruige bossen. Maar het leukst is lopen. Weer een stoplicht, ditmaal groen. Als ik doorloop haal ik hem. Buiten adem aan de overkant loop ik plots door een straat. Er hangen rode lampionnen. Eettentjes bevestigen mijn vermoeden. Twaalf minuten wandel ik vervolgens door China town, een wonderlijke enclave in deze Westerse stad. Bij het volgende rode stoplicht, sla ik de bocht om, dit maal links, dan bij groen steek ik weer over, maar lopen blijf ik altijd. 

Het is misschien slap, maar ik leg graag het lot buiten mijzelf. Two-Face deed het al in Batman. Met een simpele tos bepaalde hij het levenslot van zijn tegenstanders. Frank Underwood: de zelfde methode in House of Cards. Één moeilijk dilemma? Kop of munt biedt altijd uitkomst. Ik gebruik flipism al jaren. Ideaal. En het beste is als je een onbehaaglijk gevoel – licht is groen, oversteken – krijgt bij de uitslag, doe dán juist het andere. Zit je altijd goed. Groen en rood bepalen nu mijn weg. Soms een keuze links of rechts, maar ik laat me leiden, en wandel langs Bookshop Abby waar een zwerver op een kleedje zit. Ik geef hem een dollar, hij lacht. Dit is wat ik als reiziger het liefste doe: mijn eigen bedachte groene stoplichtenloop. Na een tweeëndertig minuten precies – en drie keer de vragende blik van de zwerver te zijn gepasseerd – gebeurt iets waardoor mijn ogenschijnlijke nutteloze loopje, als plots omslaan van het weer, enige mate van importantie krijgt. Achteraf bleek ik al een poosje achter hen aan te lopen, maar vanwege drukte en daarmee komende prikkels bleven ze onopvallend – zelfs de rode ballon.
Er ontstaat tumult omdat die ballon als een verloren kind over de tegels zweeft. De taxi wijkt, een kind wil zijn schat pakken, maar wordt tegengehouden door vermoedelijk zijn vader. Verdriet op de loer. De ballon verder de diepte in, richting mij. Ik kan nu kiezen, stap ik uit de sussende massa of doe ik niets. Ik verander koers, ontwijk een fietser en doe wat ik moet doen; geluk als hoogste goed. Duizend maal dank.

Thuisgekomen rent Jimmi de trap op, zijn kamertje in. Met een stift tekent hij een vrolijk gezichtje op zijn rode vriend, en een petje – die heb ik altijd op. Daarna in de weer met plakband en een touwtje. Als zijn vader ‘s avonds welterusten zegt en het leeslampje aan knipt kijkt hij voor het verlaten van de kamer nog een keer naar de rode ballon die inmiddels mijn naam draagt. Daar hang ik als rode ballon naast de andere held een poster van een wereldberoemde voetballer. Twee helden van dat kleine mannetje, in die kleine kinderkamer. Wie durft nu nog te zeggen dat gewoon een beetje lopen geen nut kan hebben.

-Einde-

 

 

bus 438; bestemming onbekend. Deel 2

Ik zit in bus 438; bestemming onbekend. Vanwege drukte heb ik plaatsgenomen op de invalideplek. Hier zittend ben ik waakzaam want als er een ouder iemand instapt moet ik opstaan, een niet onbelangrijke taak.

deel 2/2

Het voertuig remt, ik ontwaak uit mijn eedachten en er stapt een berg mensenvlees in. Opletten. Één langzaam bewegend, krom lopend wezentje met grijs haar en ik sta op. En ja, het is raak. Terwijl ik contact verlies met de klapstoel, vraag ik of hij wilt zitten. De bejaarde draait zich om, ik verstijf. Twee grauwe ogen kijken mij woest aan. Hij blijkt namelijk een zij, en het arme schepsel verkeert in de ontkenningsfase van het bejaardheidschap; een periculeus mensensoort waar geen bus mee bezeilen valt. Schichtig kijk ik rond of iemand mijn flater heeft waargenomen. Ik ben gespaard, tot ik een vent van middelbare leeftijd vals zie grinniken. Klootzak. Ik neem weer plaats, de rust keert weder, wielen draaien. Voor iedereen komt het onvermijdelijke moment dat tegen je u wordt gezegd, een eerste stap naar eindigheid, alle groene onschuld verdwenen. Vervolgens vloeit het leven rustig door totdat je een bril nodig hebt. Een bevestiging van iets waar je sinds het u-geval mee moet leven: het einde nabij. Het leven suddert door en opeens stap je als brildragende grijsaard een autobus in omdat je aambeienzalf, steunkousen of luiers moet kopen. Er is geen plek en je denkt rustig te kunnen staan tot een snotaap vraagt of u (!) wilt zitten; de dood als enige oplossing. Weer ontwaak ik uit mijn droom als de volgende halte nadert, en wéér willen veel mensen toetreden tot bus 438; bestemming onbekend. 

Ik aanschouw hoe arbeiders, studenten en ander voetvolk hun pasjes scannen en staanplekken veroveren. Zitten kan al lang niet meer. Plots vangt mijn oog iets waarvoor ik op deze aarde ben gezet: een spetter van een wijf. Haar blonde haar danst als een dravend paard rond haar lieve gezichtje. Twee parels van ogen, die er door god de heer persoonlijk met alle liefde en zorgvuldigheid zijn ingedrukt, maken verbinding met de mijne waarvan inmiddels de pupillen maximaal vergroot zijn om al dat moois te bekijken. Haar verschijning wordt extra kracht bijgezet door een vies, lelijk wijf dat pal achter haar waggelt. Zo’n vrouw-ding die zich niet schaamt om haar té korte haar te kleuren, u kent ze wel. Even ben ik uit het veld geslagen door dit contrast van hors catégorie. De chauffeur sommeert iedereen door te lopen, Ik besluit mijn sociale gedrag nader te bevestigen door op te staan en meer ruimte te creëren, maar vooral wil ik dat de wandelende bron van lust bij mij komt staan. Het lukt, ze verkeert niet alleen in mijn aura – dat inmiddels een explosie van kleuren is – maar ik kan haar voelen en ruiken; een aroma van rozenblaadjes gemengd met een parfum samengesteld uit de lekkerste vaginalesappen. Heerlijk. Ondertussen heeft de vrouwelijke karbonkel zich in mijn richting gewroet, klapt het stoeltje uit – tegen mijn scheen, dank u – en ploft als een rudimentaire verschijning der mens neer, hors categorie tot de tweede macht is een feit; ik seksueel gemarteld.

Langzamer dan ervoor trekt de bus op. Links: de heilige maagd Maria, rechts: reptielenhuid met wratten. Hier lust, daar last. Een tekenend beeld want juist als het rijtuig overvol zit, juist wanneer je in deze te drukke mini maatschappij rekening met elkaar moet te houden, juist op momenten dat samenwerking geboden is, besluit zo’n onding compromisloos te kiezen voor zichzelf en baatzuchtig te gaan zitten, en nog geïrriteerd ook! Juist lastpakken zijn ons normale mensen, in penibele situaties tot last, ze houden zich niet rustig. Ik voel mij terug in het vaderland, waar hetzelfde gebeurt met mensen die de maatschappij daar tot last zijn. Nee, ik heb het niet over stelende Marokkaantjes of onaangepaste moslims, maar juist over het blonde gif en alles wat daarmee samenhangt. Gevoed door wit gal heeft hij een plek veroverd in de politiek met zijn partijtje voor de vrijheid. Een groot deel van het Nederlandse electoraat heeft hij achter zich geschaard door een zwakke groep in de samenleving zwart te maken, weg te zetten als lastpakken. De hele beweging die als gezwel door onze maatschappij trekt heeft geen idee het destabiliserende kwaad, zelf een last te zijn: blinde vlek in optima forma. Het is dezelfde paradox als de instapper in de bus, die je zelf ooit was, geen plekje naast je gunt omdat je jouw ritje in vrijheid wilt voorzetten; vrijheid als hoogste goed, maar natuurlijk wel alleen voor jezelf. 

Buiten zijn gebouwen getransformeerd in wolkenkrabbers. Mensen lopen als mieren door elkaar. Ik voel hoe de engel mijn aura verlaat. Gaat ze uitstappen? Ze beweegt richting de deur – evenals ik. De koets remt af, ze scant haar vervoerbewijs. Fuck mijn pasje, waar is dat ding! De ruimte tussen ons wordt langzaam groter, als het veranderen van vloed in eb. Ruiken kan ik haar al niet meer. Leegte. Aha, het vervoersbewijs, te laat. Inmiddels staat er een meute vervelende mannen die mijn weg verspert. We staan stil, deuren openen, ze stapt uit en loopt weg. Ademloos blijf ik kijken. Bij de volgende halte stap ook ik uit en loop de ander kant op: bus 438 bestemming onbekend.

-Einde-

Bus 438; bestemming onbekend. Deel 1

Mensen vragen mij wel eens: Mike wat doe je nou zoal in dat geile Sydney? In de volgende paar verhalen geef ik op geheel eigen wijze antwoord op deze vraag. Maar, eigenlijk valt het kort samen te vatten: ik doe niet zo veel.

Deel 1/2

Het pasje glijdt langs de scanner, twee vriendelijke ogen, een lach. Piep. Ik betreed het voertuig en aanschouw de wezens; wezens aanschouwen mij. Een aroma van publiek domein verovert mijn reukorgaan, een ongerieflijk gevoel, de grillen van het openbaar vervoer. Als nieuweling in dit oerwoud van ongeschreven regels en wetten heb ik het recht een zitplaats op te eisen, ik heb immers betaald en wil rustig kunnen genieten van wat komen gaat. Dit is altijd een ietwat onbekoorlijk situatie, ik weet namelijk hoe irritant het is als een wildvreemde naast je komt zitten. Diegene voelt als handtastelijke oom Jaap die nichtjes met verjaardagen op zijn bezwete schoot neemt, knokige vingers knijpen in het jonge mensenvlees. Onnodige kusjes en klamme handjes zullen zij, de nichtjes, zich altijd herinneren. Kortom: ga verdomme niet naast mij zitten. Dit is de wet behoud op openbaar domein en je doet er alles aan om dit te behouden. Je gaat breder zitten, wiebelt op de stoel, ja, je maakt jezelf zo onaantrekkelijk mogelijk zodat je met gepaste vrijheid jouw rit kan voortzetten. Aan de andere kant, en dit is paradoxaal, als je nieuw de bus instapt treedt de wet confisqueer jouw plek openbaar domein op. Je denkt: ik heb betaald dus ik zal, verdomme, gaan zitten ook.

Er heerst overzichtelijke drukte. Nog steeds angstige ogen. Vreemd want de Aussies, zeker de blanken, zijn afstammelingen van mensen die het niet nauw namen met het innemen van openbare ruimte. De publiekelijke koets accelereert naar de volgende versnelling en ik sta nog steeds te twijfelen waar ik moet gaan zitten – ik lijk wel een vrouw. Een man van middelbare leeftijd, met een vreemd hoofddeksel wiebelt zonder mij aan te kijken in de hoop dat ik hem niet zie. Achter hem zit een jonge meid, met een te grote neus: valt dus ook af. Aan de andere kant: een Arabisch uitziend figuur en een dikzakje. Beiden sla ik, zeker in deze onzekere tijden, even over. Dit kan ik denken omdat ik mijn redding al heb gezien: de beschikbare invalideplekken. Onzeker plof ik neer. Opluchting door de bus. Toch moet ik op mijn hoede zijn. Wanneer een ouder iemand instapt moet ik direct opstaan anders wordt mijn gemaakte keuze door iedereen als asociaal bestempeld. Dat wil ik niet.

Bij de volgende halte stapt er een grote groep nieuwelingen in en de hele cyclus herhaalt zich, mijn rol is anders: die van domeinhouder. De chauffeur neemt zijn rol als leider van het bonte gezelschap hoog op en sommeert iedereen zo veel mogelijk naar achteren lopen. Waar zie je dat tegenwoordig nog: goede leiders. Ik geloof niet dat mijn vrolijke Vaderlandje gekenmerkt wordt door stevige akela-figuren, die het volk op sleeptouw nemen. Gelukkig doen we het volgens mij beter dan die lui aan de andere kant van de oceaan. Om te beginnen met Engeland. Weet je nog, Nigel Farage? Deze lafbek schreeuwde om een referendum, hij kreeg wat hij vroeg. En toen Brexit een feit was, was-ie weg. Laffe hond. Een regelrechte schande. Nu zitten ze opgescheept met Theresa May die, om haar positie te verstevigen, verkiezingen uitriep. De uitslag was niet helemaal wat ze had gehoopt en nu probeert ze een minderheidskabinet te vormen terwijl het gehele volk schreeuwt om haar aftreden. Maar dan hebben we natuurlijk dolle Donald die zijn eigen land meer schade toebrengt dan alle terroristen te samen. Het zou mij niets verbazen als die Donald zelf een terrorist blijkt te zijn.

Volgende keer rijd ik verder met bus 438; bestemming onbekend.

Gedicht: worst

Nee, het boeit ons niet: oogverblindende landschappen, uitgesterkte bossen of wandelingen over vulkanische korst.
Geef ons een vuurtje, stokkie en wij bakken worst.

Al dat overdreven gedoe van reizen in een wonderlijke wereld en een daarmee komend euforisch gevoel.
Wij ervaren makkelijker genot, gewoon met een vuurtje en marshmallows, is dat niet koel.

Wij blijven ver weg van weergaloze beestjes, rare vogels en zeeën blauwer dan azuur.
Nee, geen parel witte stranden, grote vissen of een adembenemende natuur.

Wat hebben wij te zoeken op de Noordpool, Himalaya of een een tropisch regenwoud?
En dan de Zuidpool, geen denken aan, dat is toch veel te koud.

Nou, we hebben het zeker wel geprobeerd: samen loeren naar besneeuwde bergtoppen, wandelen door bossen of zwemmen bij koraal.
Maar wat is daar nou leuk aan, wij zien er simpelweg geen heil in, is dat wel normaal?

Bij de Great Barrier was iedereen razend druk met camera’s, er werd zeker duizend keer geklikt.
Wij zater rustig op het bootje, keken naar het prachtige water en dachten: die mensen zijn getikt.

Wij hoeven niet zo nodig, aller hoogst, waanzinnig of verder dan de maan.
Gewoon een stukkie rijden, zolang we samen zijn, ja, dat vinden wij wat aan.

Simpel met ons busje is meer dan genoeg, en een lekkere zonnetje met 28 graad.
En mocht het toch gaan regenen dan duiken wij naar binnen en knuffelen tot en met de daad.

Maar, ’s avonds is het leukst, dan drinken we samen pilsjes, och wat hebben we een dorst!
Met als euforisch hoogtepunt, zelf een vuurtje maken en het bakken van de worst.

 

Outback 3

Kerkhof

Levenloos in alle vormen en maten, in elk stadium van het onvermijdelijke proces van ontbering, liggen ze aan de wegkant. Vrijwel altijd kangoeroes. Soms een vogel of een vosje, en heel soms een slang. Wanneer het leven na de verschrikkelijke hamerslag het wezentje heeft verlaten, kleuren verse bloedsporen het kokende asfalt. Een onflatteus aangezicht voor passerende reizigers, en onwennig in het begin. Maar alles wendt en inmiddels weten ze wanneer een rijp aangereden dier te treffen omdat van ver al te zien is hoe aasgierige vogels boven het kadaver cirkelen.

De volgende fase in het proces tot stof te transformeren tref je ook veelvuldig op de oneindige lappen weg, die als duizenden kilometers lange, speels neergelegde schoenveters door het landschap trekken. Alle levenssappen hebben het hoopje verlaten. Her en der vindt een goedzoekende kraai nog een verdord stukje vlees, taai als leer. Botten zijn al zichtbaar en niets van dit alles doet vermoeden dat er ooit leven huisde in het kliekje dier. In de laatste fase toont alles wat rest zich als een skelet aan de rondtrekkende nomaden van deze meedogenloze wereld. Tot stof zijt gij en tot stof zult gij nimmer wederkeren.

Naast grote, harige zoogdieren zijn er ook ontelbaar aandoenlijk vliegende vlinders die hier het leven laten. Doordat zij naïef en dromerig oversteken, worden zij door voorbij razende auto’s en de daarmee komende alles vernietigende windvlaag tegen het wegdek gesmeten en, terwijl het gebrul afneemt, treedt onvermijdelijk de dood in. Maar ook op voorruiten en bumpers van diezelfde automobilisten rest na het bereiken van de bestemming veel uit elkaar gespat gedierte, waarvan smeuïge sappen als uitgeknepen puisten vaak een bron van irritatie vormen en die er op een vrij moment, door de getergde eigenaar met ongepaste wrevel vanaf wordt geboend: de dode heeft eindelijk rust

Ik kijk naar mijn liefdesbronnetje. Ze zingt vrolijk met muziek en draagt een tweedehand gekochte trui die zelfs Mart niet zou dragen. Ze heeft geen idee wat er ondertussen voor gruwelijke slachtingen plaatsvinden rond onze rijdende bolide. De zon die vanaf de zijkant schijnt, tovert een goud bruine gloed op haar mooie gezichtje. Een vlieg spat uiteen op de bumper: dood. Haar mond glimlacht, mijn hart versnelt: liefde. Een vlinder kwakt op het afvalt: verderf. Mijn busje rijdt door. We kijken elkaar aan: mooi. Een wesp op de bumper: vaarwel eindigheid. Ze lacht zoals alleen zij dat kan: een kus. Omringd door dood en verderf – welkom oneindigheid – ervaren wij elkaars plezier op het langste kerkhof ter wereld. En dat is best een beetje gek. Heel gek.

-Einde-

Nacht van Arbeidt 5: (in) verwachting

Slot.

(In) verwachting.

Het is vreemd iets te doen waarvoor je jaren spaart en wat, nadat je veertienduizend kilometer hebt gevlogen, werkelijkheid wordt. Enkel afstand en tijd scheidt jou van een illustere droomwereld die niet blijkt te zijn wat je op voorhand dacht.

Natuurlijk heeft mijn eigen naïviteit hiermee te maken, want hoe kon ik werkelijk denken dat reizen een soort voortwokerende utopische droom is, waarin alles wat gebeurt, wordt gevoed met grenzeloze gelukszaligheid. Dit waanbeeld wordt ook versterk door vermaledijde sociale media: een schijn wereld waarin iedereen vrijwel alleen geluksmomenten deelt. Hoezee! In het bijzonder reizigers doen thuisblijvers geloven, middels de meest fantastische en gefilterde foto’s, dat hun reis een groot orgasme van genot is. En dit dient ook te gebeuren want de reiziger heeft tijd, energie en geld in het project gestoken, en dit kan mede verzilverd worden door digitaal gekwijl van de aanschouwer aan het thuisfront, in de vorm van likes reacties.
Ook ik likkebaardde, werkte hard en spaarde voor mijn reis. Dit zou in een woord geweldig worden; moet geweldig worden. Maar de werkelijkheid, zeker in het begin, is rauwer. Je stapt helemaal geen oneindige droom binnen, maar een ander land waar vaker de zon schijnt en natuur meer te bieden heeft -ook orkanen, regen en hitte. Na vier maanden onderweg te zijn durf ik te schrijven dat mijn verwachting te hoog gespannen was en ik enige aanpassingsproblemen kende. Nooit had ik de drang huiswaarts te keren, maar het echte reisgevoel kende ik niet, alsof reizen en ik elkaar niet helemaal begrepen.

Nu zit ik aan een tafeltje in een fish restaurant in vredelievend Townsville. Een ogenblik van een seconden keek de serveerster mij argwanend aan toen ik vroeg of ik hier kon tikken, maar direct herpakte ze haar Australische aardigheid, en natuurlijk hielp ik haar met het verzetten van een tafel zodat ik bij stopcontact kon zitten. Terwijl ik tik, leest mijn liefdesbronnetje een boek onder een boom aan het strand. We zijn samen, maar laten elkaar ook met rust op momenten als we dat nodig hebben -op momenten als ik dat nodig heb. Ik denk terug aan de afgelopen maanden. Nadat ik had gewerkt op de eerste farm vertrok ik naar een andere. Daar werkte ik precies tien dagen en verdiende genoeg geld om het besluit te kunnen nemen naar Sri Lanka te gaan. Daar op een overvol perron in Kandy sloten wij elkaar in de armen. Ik voelde hoe een vrouw zittend op een bankje ons aanschouwde. Ze lachte terwijl ze ons dromerig bekeek en dacht: dat is liefde. Na Sri Lanka vlogen wij samen naar Australië waar mijn busje al op ons wachtte. We kregen tweeënhalve week bezoek van olympiër Birgit Ente. Het was geweldig helemaal toen we met een 4×4 over Fraser Island scheurde. We kwamen vast te zitten op een camping in Beerwaa. Duizend kilometers ten noorden was Orkaan Debbie aan land gekomen en had een vernietigend spoor door het landschap getrokken. Wij kregen een vleugje van dit natuurgeweld mee in de vorm van een etmaal durende regen. Ook mijn trouwe vierbander kreeg het zwaar te verduren en wilde vanwege een doorregende versnelbak (kan ook iets andere zijn) niet meer starten. Toen was het zwaar kut, maar nu ik eraan terugdenk, was het eigenlijk best geinig; ik voelde iets wat ik thuis nooit zou voelen. Was dit het reisgevoel?

We reden verder in noordelijke richting terwijl langs de kant van de weg sporen van de orkaan duidelijk zichtbaar waren in de vorm van omgewaaide bomen, overstroomde rivieren en verstoorde ‘creeks’. Later was de ravage pas echt goed zichtbaar toen we met grote ogen het paradijselijke Airlie Beach inreden. Hier was de kern van Debbie aan land gekomen en had vreselijk huisgehouden. Waar oneindige bergweides normaal bedekt worden met een levendig groen deken van bomen, was nu een kale dorre vlakte te zien. Enkele zeilboten waren uit het water getild en lagen zielloos op het stad; een macaber aangezicht. Azuurblauw water had plaatgemaakt voor een grauwe, modderige massa, elektriciteit nauwelijks voor handen. De stad was bezig haar wonden te likken. Je voelde pijn, verdriet en verlies door de warrige straten van deze normaal zo levendige plek. Het was vreemd te vertoeven op een plek waar ik als toerist niet hoorde te zijn. Snel vertrokken we en ik weet nog steeds niet of ik de apocalyptische rookwolken, die ik dacht te zien in de achteruitkijkspiegel, verbeelding waren of werkelijkheid. Het reisgevoel dat ik hoopte te krijgen, had ik ondanks alle gebeurtenissen tot dan toe nog niet. Ik begon aan mijzelf te twijfelen. Was ik wel een waardig reiziger? Zou ik wel een dusdanig lange tijd van huis verwijderd kunnen zijn? Was ik wel de vrije vogel die ik dacht te zijn?

Nu ben ik in Townville helemaal alleen met mijn liefde. Dit is wat ik wilde, met zekerheid kan ik schrijven dat mijn verwachtingpatroon zich heeft aangepast aan de werkelijkheid. Ik voel iets wat ik niet eerder voelde en dat is de vrijheid, het geluk en plezier dat ik ook voel wanneer ik op een drukke zaterdagmiddag door mijn Haarlem slenter. Ik voel me chill. Net kwam ze bij me zitten, ik zag dat er iets was. Eerder vandaag, tijdens de lunch hadden we een gesprek over onze liefde. ‘Wat is er’, vroeg ik terwijl een zeebries door de openstaande puien haar gouden haar laat dansen. We keken elkaar aan.
‘Niets.’

‘Jawel.’

Ze draaide haar hoofd weg. Ik ken haar en wist dat ze nu iets ging zeggen.

‘Denk je dat het uitgaat binnen nu en een jaar?’

Doordat ik haar vraag niet verstond en dacht dat ze honderd jaar zei, grapte ik:

‘Nee, ik denk niet dat het uitgaat binnen nu en honderd jaar.’

Ze lachte, maar ik wist dat ze het meende.

‘Serieus, denk je dat het uit zou kunnen gaan?’

‘Het zou ooit uit kunnen, maar niet binnen nu en een jaar. En als het uitgaat, weet je wat dan het mooiste is wat kan gebeuren?’

‘Nou…’

‘Dat we weer verkering krijgen.’

Haar ogen twinkelden en ze lachte zoals alleen zij dat kan. Ik aanschouwde het bijzondere wezentje, wij samen in Australië het is bijna een wonder. De Nacht van Arbeidt is voorbij, het echte reizen kan beginnen en ik doe dat samen met mijn liefde terwijl we elkaar liefhebben en vrij laten, zo moet het volgens mij zijn. Ja, zo moet het zijn. Ze keek me nog een keer aan en zei wat de kop van dit stuk doet vermoeden. Godverdomme.

Einde.

Nacht van arbeidt 3: tranen

Dus daar zit ik, na een dag werken terug op de camping, te heet om rationeel te kunnen denken. Als ik mijn ogen sluit voel ik onmiddellijk dat zweet zich rond mijn oogleden samenvoegt. Sadistisch lachende peren dansen aan de binnenkant van mijn ogen afgewisseld met die rot kop van Maikal. Hoe kun je onder zulke erbarmelijke mensonterende omstandigheden positief blijven?


Mijn aanvankelijk positieve gedachten over deze nietsnut verdampten niet alleen door de hitte, maar ook doordat hij handschoenen(!) aandeed en zonder al te veel schaamte een vliegennetje over zijn kale schedel trok. ‘Dat is handiggg teggen de vliegen’, sprak hij opgewekt in dat onuitstaanbare accent, terwijl ik daar zwoegend op die ladder stond. Pas toen viel het me ook op dat hij… kaplaarzen droeg. Mensen die altoos positief zijn moet je wantrouwen en pijn doen en ineens snap ik, in deze primitieve omstandigheden, waarom mensen vermoord kunnen worden.

Ik open mijn ogen en kijk rond, waar ben ik beland? Waarom heb ik mijn fijne thuisbasis verlaten om in dit verdorde niemandsland peren te plukken? Er is he-le-maal niemand die iets om mij geeft of het boeit dat ik hier wel of niet zit; een moeilijk te verteren gedachten. Waarom zou ik doen wat ik momenteel doe? Ja, ik heb geld nodig omdat ik uit naam der liefde mijn busje heb gekocht, dus de extra centen goed kan gebruiken. Maar gaat mijn campertje het redden? De garagemeneer moest zijn lach inhouden toen ik hem vertelde dat ik vierduizend had betaald voor dit voertuig. Ik heb maar niet gevraagd hoeveel hij ervoor overhad:

‘I would say $1500.’

‘Thank you.’

Ondanks ik mijn trouwe witte wezentje vertrouw -wij gaan het samen redden- kan het natuurlijk altijd mis gaan. De echte backpacker zou zeggen: Dat is reizen, avontuur te gek! Maar ik ben een beetje klaar met backpackers. Ik wil naar huis en weg uit dit ontzaglijk treurige gat, waar sociaal gedrag niet lijkt voort te komen en een liberaal gedachtegoed hoogtij viert. Ieder voor zich en fuck you, lijkt de norm. Dit kwam eens te meer naar voren uit het feit dat ik mijn voedsel ongelabeld in de gezamenlijke koelkast had gelegd, het vandaag wilde pakken en erachter kwam dat het weg was. Kon ik weer noodles vreten, godverdomme. Er zijn trouwens drie koelkasten waarvan één het door de hitte heeft begeven en de andere twee zo smerig zijn dat zelfs bacteriën en ander ongedierte a masse als rijen vluchtelingen het koelhuis hebben verlaten. Nooit eerder heb ik, omringt door stelende, doch op zichzelf waarschijnlijk aardige medereizigers, mij eenzamer en verdrietiger gevoeld. Ik ben ver afgedwaald van degene zoals ik mijzelf ken, totaal verloren en stuurloos, emoties niet in de hand. Een achteraf gezien, vreemde haast spirituele gebeurtenis en ik weet nog steeds niet of het vocht dat zich als een met wanhoop gevulde traan langs mijn wang een weg naar beneden baande werkelijk een traan of zweet was. Maar één ding is zeker: dit is een duistere en deprimerende bende. Ik wil weg.

Wat ik vaker doe in emotioneel onstabiele situaties is schrijven en dus pak ik mijn boek-boek en begin te pennen. Terwijl ik de woorden op het papier vereeuwig krijg ik iets meer grip op mijzelf, op de wereld. Ik zit nog steeds diep in een beerput, maar het rationele zet voorzichtig voet op vaste land. Op dat moment komt er een koppel -namen vergeten- voorbij gelopen en ik raak met hen in gesprek; gewoon sociaal contact, ongelofelijk. Na het afscheid schuifelen ze verder, maar een halfuur later komt hij terug en reikt mij een pilsje: ‘It’s not very cold, but I’ll hope you will enjoy’, zegt hij lachend. Als er een god zou bestaan zou hij deze twee lieve mensen voor mij op de plek hebben laten verschijnen om mij dit hemelse geschenk aan te reiken. Gezien mijn labiele toestand voel ik, nadat de gulle gever gelukkig is vertrokken, mijn ogen wéér nat worden. Na vierentwintig uur enkel in contact te zijn geweest met onaardige, a- en non-sociale mensen, is deze gift een bijbels teken van barmhartigheid. Ze bestaan nog: lieve mensen. Na het bemoedigende pilsje voel ik iets van zekerheid terug in mijn leven en besluit ik bij het zwembad te gaan kijken. Daar zitten mijn Franse buren die mij bij hen roepen. Later die avond, net voordat ik naar mijn busje wil gaan, kom ik in gesprek met een gozer. Welnu: hij heeft dreadlocks, een spirituele tatoeage en zo’n wijde broek waarin het niet op zou vallen als je poept. Hij heeft de hele wereld gezien en reist al drie jaar onafgebroken over moeder aarde, waar hij precies vandaan kwam weet hij niet meer en ik moet soms moeite doen niet in lachen uit te barsten. Het perenplukken heeft hij feilloos in de vingers en nadat hij is gaan staan, toont hij wild gebarend mij hoe je de ladder op de juiste plek neer moet zetten, hij draagt alleen een broek: ‘Look mate, put your ladder right under the peers but keep some distance’, zegt hij terwijl hij mij zelfverzekerd aankijkt. Zijn hele voorkomen doet mij denken aan zelfingenomen voetbaltrainers die niet precies weten wat ze zeggen. Hij gaat verder en doet voor hoe hij met zowel links als rechts de trekbeweging eigen heeft gemaakt. Waar blijft de verborgen camera, denk ik aldoor. En nee, dit is geen jiskefetistisch karakter, wat een wereld. De volgende dag zou ik niet hoeven werken en nogmaals aangenaam verrast worden door het koppel dat eerder op de avond mij het hemelse pilsje gaven. Maar nu eerst slapen. Welterusten.

-Wordt vervolgd-

 

BewarenBewaren