De liefde

Even schoon als vies, even elegant als weerzinwekkend, even fabelachtig als deplorabel. Eigenlijk, heel eigenlijk is de liefde een gruwelijke samenkomst van twee individuen. Fnuikend, verterend, vernietigend. Niet in het begin. Dan tekent het zich af als een utopische droom in het bestaan. Een onvoorwaardelijke drang om die ander te beminnen als allesoverheersende factor. Rationaliteit verliest, een zelden vertoonde K.O. Het hart is de baas. Samen wordt terwijl dag plaatsmaakt voor nacht gevreeën in het park. Sterren vallen speciaal voor hen. Tijd speelt geen rol. De wereld draagt één doel: het liefhebben van die ander. Een makkelijk en overzichtelijk gegeven.

Maar.
Godverdomme.
Waarom?

Als het langzaam veranderen van kleur door zonlicht verandert er iets. Misschien toch geen K.O. in de ring waar gevoel heerste als usurpator. Ratio kruipt langzaam op . 'Hallo,' klinkt in het hoofd 'is dit wat je wilt?' Het hart pompt onverminderd door, geeft zich niet makkelijk gewonnen. Maar gedachtes blijven komen: 'Ik ben jong, is dit het? We moeten nog lang.' Nu begint de grote klopspier z'n geduld te verliezen: 'Waar ben je mee bezig,' vraagt hij 'het was liefde dat hen samenbracht, ze houden onvoorwaardelijk van elkaar. Dit kan toch niet gebeuren?' Vragen blijven reizen, een intrinsieke veldslag tussen hart en brein. Tussen gevoel en rationaliteit. Het verleden houdt de twee geliefden samen, ze trekken onzeker verder terwijl hoog boven hen sterren zijn gevormd tot een vraagteken. Vrijen in het park gebeurt niet meer. Soms wordt er gepraat, maar angst voor verlies van die ander is groot. Dus doorgaan vanwege iets wat ooit zo mooi was. De liefde verankerd, maar kleuren vervagen.
Alles verandert, en blijft toch hetzelfde. Rust niet gevonden.

Misschien te veel gedachten. De ratio staat inmiddels weer sterkt op zijn benen. Waarom samen varen in en onstuimige rivier?
'Maar zij kunnen toch niet zonder elkaar,' huilt het hart.
'Maar,' riposteert het brein 'moeten ze doorgaan als er vragen zijn?'
'Met vragen heb ik niets te maken. Zij horen simpelweg bij elkaar.'
'Zeker, maar je kan niet ontkennen dat er iets veranderd is.'

Stilte.
Onzekerheid.
Liefde.

Pragmatisch komt rationaliteit met een geniaal idee. Gevoel probeert te knokken, helemaal als het brein doordacht spreekt: 'Waarom zullen wij, jij en ik, elkaar bevechten? Laten we samenwerken, een eenheid vormen.' Het lichaam hervindt rust. Van innige strijd is geen sprake. Er volgt een telefoongesprek met de geliefde aan de andere kant van de wereld: 'Jij bent daar, ik ben hier. Ik gun je uit naam van rationaliteit de vrijheid die je zoekt, waar je behoefte aan hebt.' Kan hun liefde dit aan, is het hart sterk genoeg? De geliefden weten dat de wederzijdse aantrekkingskracht, sterker is dan de honger naar liberté die momenteel heerst. Er wordt gesnikt. Liefde is gruwelijk en wellicht slaan zij de plank helemaal mis, maar soms is het goed, als het even pauze is.

Altijd bij jou.
Xm.

 

 

Outback 3

Kerkhof

Levenloos in alle vormen en maten, in elk stadium van het onvermijdelijke proces van ontbering, liggen ze aan de wegkant. Vrijwel altijd kangoeroes. Soms een vogel of een vosje, en heel soms een slang. Wanneer het leven na de verschrikkelijke hamerslag het wezentje heeft verlaten, kleuren verse bloedsporen het kokende asfalt. Een onflatteus aangezicht voor passerende reizigers, en onwennig in het begin. Maar alles wendt en inmiddels weten ze wanneer een rijp aangereden dier te treffen omdat van ver al te zien is hoe aasgierige vogels boven het kadaver cirkelen.

De volgende fase in het proces tot stof te transformeren tref je ook veelvuldig op de oneindige lappen weg, die als duizenden kilometers lange, speels neergelegde schoenveters door het landschap trekken. Alle levenssappen hebben het hoopje verlaten. Her en der vindt een goedzoekende kraai nog een verdord stukje vlees, taai als leer. Botten zijn al zichtbaar en niets van dit alles doet vermoeden dat er ooit leven huisde in het kliekje dier. In de laatste fase toont alles wat rest zich als een skelet aan de rondtrekkende nomaden van deze meedogenloze wereld. Tot stof zijt gij en tot stof zult gij nimmer wederkeren.

Naast grote, harige zoogdieren zijn er ook ontelbaar aandoenlijk vliegende vlinders die hier het leven laten. Doordat zij naïef en dromerig oversteken, worden zij door voorbij razende auto’s en de daarmee komende alles vernietigende windvlaag tegen het wegdek gesmeten en, terwijl het gebrul afneemt, treedt onvermijdelijk de dood in. Maar ook op voorruiten en bumpers van diezelfde automobilisten rest na het bereiken van de bestemming veel uit elkaar gespat gedierte, waarvan smeuïge sappen als uitgeknepen puisten vaak een bron van irritatie vormen en die er op een vrij moment, door de getergde eigenaar met ongepaste wrevel vanaf wordt geboend: de dode heeft eindelijk rust

Ik kijk naar mijn liefdesbronnetje. Ze zingt vrolijk met muziek en draagt een tweedehand gekochte trui die zelfs Mart niet zou dragen. Ze heeft geen idee wat er ondertussen voor gruwelijke slachtingen plaatsvinden rond onze rijdende bolide. De zon die vanaf de zijkant schijnt, tovert een goud bruine gloed op haar mooie gezichtje. Een vlieg spat uiteen op de bumper: dood. Haar mond glimlacht, mijn hart versnelt: liefde. Een vlinder kwakt op het afvalt: verderf. Mijn busje rijdt door. We kijken elkaar aan: mooi. Een wesp op de bumper: vaarwel eindigheid. Ze lacht zoals alleen zij dat kan: een kus. Omringd door dood en verderf – welkom oneindigheid – ervaren wij elkaars plezier op het langste kerkhof ter wereld. En dat is best een beetje gek. Heel gek.

-Einde-

Missen

27 november 2016

Tien, elf, twaalf tellen? Waarschijnlijk minder. Ik zie haar weglopen en besef niet helemaal wat gaande is. Ga ik mijn liefdesbronnetje werkelijk vier maanden niet kunnen beroeren? In dit met hoop doordrenkte moment bestaan mensen en de wereld om mij heen niet. Het enige wat ik wil, waar ik om smeek, wat ik nodig heb, is nog één maal haar blik, haar ogen ten teken van onze liefde. Gun mij de komende maanden van een liefdeloos gevangenschap te beginnen met een laatste oogwenk. Waarom gebeurt eigenlijk wat gebeurt? Anderhalf jaar geleden, in de embryonale fase van ons plan, was het idee om samen op pad te gaan. Ik was klaar met m’n studie en wilde gaan reizen. Natuurlijk konden we niet té lang zonder elkaar en er volgden gesprekken, hoe gingen we dit doen. Uiteindelijk zou zij -godzijdank- aan boord springen van mijn reizende schip zodat wij samen de wereld konden ontdekken.
Na een laatste kopje koffie -haar backpack had ze al afgegeven- gingen we écht afscheid nemen. Ik wist niet wat ik ervan moest denken, wat het met me zou doen als ik haar honderdtwintig dagen niet kon aanraken. Nooit kende ik een gevoel van tomeloos gemis, nooit zwolg ik in medelijden vanwege het gemis van een dierbare. Vaak, als ik iemand een poos niet had gezien, bleek diegene weg te zijn geweest. Dit was compleet anders.
Samen dus, samen reizen dat was het plan. Nu loopt zij, mijn liefdesbronnetje weg en blijf ik achter smachtend op een laatste blik. Ze is bijna bij de hoek, de wereld vertraagt. Nu zou het moeten gebeuren, en natuurlijk gebeurt het. Hoop verandert in geluk, onze liefde ultiem bevestigt. Mijn hart maakt een huppeltje.
Inmiddels vijf weken verder is mijn honger naar haar tot onverantwoordelijke hoogte gestegen. Natuurlijk geniet ik van wat gaande is, wil ik wonen deze fijne stad, maar alles voelt als een magnifiek maal in een vijf sterren restaurant, zonder zout; als seks zonder klaarkomen; als het lezen van een prachtig boek zonder laatste bladzijde. En ik huilde vanwege haar afwezigheid of was dit een droom? Dromen doe ik nooit. Evenmin als huilen vanwege liefdesgemis. Toch, ik weet het zeker, vloeiden er liefelijke tranen over mijn verwarde wangen. Lief, kom als je blief hier heen, dan kunnen we doen waar we goed in zijn, zoals alleen wij dat kunnen. Lief, ik mis je, ik mis je fijne lijf en adorabele lach. Waar ben je nou? Ik mis je, ik mis je werkelijk.
“Missen” verder lezen

Raar behang

Dus daar lig ik. Op het roze behang, een duidelijke aanwijzing van een meisjeskamer, staan in een vrolijk patroon vogel-achtige figuren afgebeeld. De wezens, die het meest lijken op rechtopstaande piquins turen mij met grote ogen merkwaardig  aan. Alle andere keren dat ik hier, in jouw kamer, op jouw bed lag was jij er ook. Nu niet. Nee lief je bent heel ver weg, doet een fantastische trip op het dak van de wereld, een plek waar het internet net zo schaar is als bergen van formaat in ons verzuurde landje. Tussen ons zal er de komende veertien dagen geen contact zijn, en zo ben je werkelijk van mij en de rest van de wereld afgesloten. Deze vreemde gedachte rust niet als een vredig dobberend bootje in mijn hoofd, maar sprake van rusteloosheid is zeker ook niet het geval. Iets ertussenin dus. Een keer eerder hadden wij lange tijd geen contact, maar toen was het een door omstandigheden zelf gekozen beslissing, en kon ik in geval van nood jou contacten. Nu is zelfs dat niet mogelijk. Echt niet mogelijk.

Het is kerst.

Fijn was het om deze door de maatschijppij opgelegde “gezellige dagen” door te brengen met jouw ouders en familie. Zoals je weet ben ik geen fan van dit soort verplichte feesterijen, maar ik kan niet ontkennen me zeer op m’n gemak te voelen. De hele omgeving, de mensen, deze roze kamer, nota bene dit verdomde bed waarin we zo vaak de liefde bedreven, brengen mij gevoelsmatig het dichtst bij degene bij wie ik nu het liefst wil zijn. Helemaal in deze fase, bruut afgezonderd van mijn liefdesbronnetje. Dromen van tomeloos gemis zal ik niet hebben en tranen dat ik je mis evenmin, maar godverdomme lief wat zou het intens plezierig zijn als je nu tegen mij aan kon kruipen. Als wij nu zachtjes konden kroelen en de wereld van de slapende betreden terwijl ik jouw mooie lichaam voel, ruik en proef. Morgen zou ik wakker worden en, net als alle andere keren toen je naast me lag, zou ik mij de gelukkigste mensch ter wereld wanen. Maar nee, je bent er niet. Je bent er echt niet. De vogels kijken mij vragend aan, ze lijken te denken: waarom ligt hij hier alleen?

Het ga je goed.

Hou van jou.

Xm