Nacht van arbeidt 3: tranen

Dus daar zit ik, na een dag werken terug op de camping, te heet om rationeel te kunnen denken. Als ik mijn ogen sluit voel ik onmiddellijk dat zweet zich rond mijn oogleden samenvoegt. Sadistisch lachende peren dansen aan de binnenkant van mijn ogen afgewisseld met die rot kop van Maikal. Hoe kun je onder zulke erbarmelijke mensonterende omstandigheden positief blijven?


Mijn aanvankelijk positieve gedachten over deze nietsnut verdampten niet alleen door de hitte, maar ook doordat hij handschoenen(!) aandeed en zonder al te veel schaamte een vliegennetje over zijn kale schedel trok. ‘Dat is handiggg teggen de vliegen’, sprak hij opgewekt in dat onuitstaanbare accent, terwijl ik daar zwoegend op die ladder stond. Pas toen viel het me ook op dat hij… kaplaarzen droeg. Mensen die altoos positief zijn moet je wantrouwen en pijn doen en ineens snap ik, in deze primitieve omstandigheden, waarom mensen vermoord kunnen worden.

Ik open mijn ogen en kijk rond, waar ben ik beland? Waarom heb ik mijn fijne thuisbasis verlaten om in dit verdorde niemandsland peren te plukken? Er is he-le-maal niemand die iets om mij geeft of het boeit dat ik hier wel of niet zit; een moeilijk te verteren gedachten. Waarom zou ik doen wat ik momenteel doe? Ja, ik heb geld nodig omdat ik uit naam der liefde mijn busje heb gekocht, dus de extra centen goed kan gebruiken. Maar gaat mijn campertje het redden? De garagemeneer moest zijn lach inhouden toen ik hem vertelde dat ik vierduizend had betaald voor dit voertuig. Ik heb maar niet gevraagd hoeveel hij ervoor overhad:

‘I would say $1500.’

‘Thank you.’

Ondanks ik mijn trouwe witte wezentje vertrouw -wij gaan het samen redden- kan het natuurlijk altijd mis gaan. De echte backpacker zou zeggen: Dat is reizen, avontuur te gek! Maar ik ben een beetje klaar met backpackers. Ik wil naar huis en weg uit dit ontzaglijk treurige gat, waar sociaal gedrag niet lijkt voort te komen en een liberaal gedachtegoed hoogtij viert. Ieder voor zich en fuck you, lijkt de norm. Dit kwam eens te meer naar voren uit het feit dat ik mijn voedsel ongelabeld in de gezamenlijke koelkast had gelegd, het vandaag wilde pakken en erachter kwam dat het weg was. Kon ik weer noodles vreten, godverdomme. Er zijn trouwens drie koelkasten waarvan één het door de hitte heeft begeven en de andere twee zo smerig zijn dat zelfs bacteriën en ander ongedierte a masse als rijen vluchtelingen het koelhuis hebben verlaten. Nooit eerder heb ik, omringt door stelende, doch op zichzelf waarschijnlijk aardige medereizigers, mij eenzamer en verdrietiger gevoeld. Ik ben ver afgedwaald van degene zoals ik mijzelf ken, totaal verloren en stuurloos, emoties niet in de hand. Een achteraf gezien, vreemde haast spirituele gebeurtenis en ik weet nog steeds niet of het vocht dat zich als een met wanhoop gevulde traan langs mijn wang een weg naar beneden baande werkelijk een traan of zweet was. Maar één ding is zeker: dit is een duistere en deprimerende bende. Ik wil weg.

Wat ik vaker doe in emotioneel onstabiele situaties is schrijven en dus pak ik mijn boek-boek en begin te pennen. Terwijl ik de woorden op het papier vereeuwig krijg ik iets meer grip op mijzelf, op de wereld. Ik zit nog steeds diep in een beerput, maar het rationele zet voorzichtig voet op vaste land. Op dat moment komt er een koppel -namen vergeten- voorbij gelopen en ik raak met hen in gesprek; gewoon sociaal contact, ongelofelijk. Na het afscheid schuifelen ze verder, maar een halfuur later komt hij terug en reikt mij een pilsje: ‘It’s not very cold, but I’ll hope you will enjoy’, zegt hij lachend. Als er een god zou bestaan zou hij deze twee lieve mensen voor mij op de plek hebben laten verschijnen om mij dit hemelse geschenk aan te reiken. Gezien mijn labiele toestand voel ik, nadat de gulle gever gelukkig is vertrokken, mijn ogen wéér nat worden. Na vierentwintig uur enkel in contact te zijn geweest met onaardige, a- en non-sociale mensen, is deze gift een bijbels teken van barmhartigheid. Ze bestaan nog: lieve mensen. Na het bemoedigende pilsje voel ik iets van zekerheid terug in mijn leven en besluit ik bij het zwembad te gaan kijken. Daar zitten mijn Franse buren die mij bij hen roepen. Later die avond, net voordat ik naar mijn busje wil gaan, kom ik in gesprek met een gozer. Welnu: hij heeft dreadlocks, een spirituele tatoeage en zo’n wijde broek waarin het niet op zou vallen als je poept. Hij heeft de hele wereld gezien en reist al drie jaar onafgebroken over moeder aarde, waar hij precies vandaan kwam weet hij niet meer en ik moet soms moeite doen niet in lachen uit te barsten. Het perenplukken heeft hij feilloos in de vingers en nadat hij is gaan staan, toont hij wild gebarend mij hoe je de ladder op de juiste plek neer moet zetten, hij draagt alleen een broek: ‘Look mate, put your ladder right under the peers but keep some distance’, zegt hij terwijl hij mij zelfverzekerd aankijkt. Zijn hele voorkomen doet mij denken aan zelfingenomen voetbaltrainers die niet precies weten wat ze zeggen. Hij gaat verder en doet voor hoe hij met zowel links als rechts de trekbeweging eigen heeft gemaakt. Waar blijft de verborgen camera, denk ik aldoor. En nee, dit is geen jiskefetistisch karakter, wat een wereld. De volgende dag zou ik niet hoeven werken en nogmaals aangenaam verrast worden door het koppel dat eerder op de avond mij het hemelse pilsje gaven. Maar nu eerst slapen. Welterusten.

-Wordt vervolgd-

 

BewarenBewaren

2 gedachten over “Nacht van arbeidt 3: tranen”

  1. Ik zou bijna met terugwerkende kracht medelijden met je krijgen, waren het niet dat ik weet dat je het hebt overleefd en je nu louter en alleen fantastische dingen meemaakt ! Xx de moeder van je lief

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.