Outback 1

Outback

Na anderhalf uur rijden door een onbekende wereld, kwamen we eindelijk bij een tankstation en tevens laatste halte van leven.

Het licht is geel. Geel licht is vreemd en geeft mij een raar gevoel, maar dat kan ook komen door de plek waar ik nu ben. Ik weet het niet precies, toch ben ik er vrijwel zeker van dat vijfhonderd kilometer ten noorden, zuiden, oosten of westen geen andere pek van menselijke makelij in de vorm van een dorp is. Af en toe rijdt er een vrachtwagen voorbij. Geen gewone, maar een die eindeloos lijkt. In Nederland is een langste exemplaar – uit mijn hoofd – vierentwintig meter. Hier is dat een bestelbus. Sommige rijdende beesten trekken vier gigantische aanhangers die te samen gemakkelijk een schrikbarende lengte van zestig meter hebben, het zijn de rijdende treinen van dit gebied en bulderen zonder mededogen over eindeloze wegen.

Het licht is geel. Geel licht is vreemd. Mijn liefdesbronnetje is aan het koken, we hebben net onze kleding gewassen in een desolate maar openbare laundry. Alles lijkt net een film sinds we eerder op de avond dit verlate stadje genaamd Hughenden binnenreden. Het is een gehucht, niet meer dan een brede straat met aan weerszijden winkels met gevels die doen vermoeden dat we in het Wilde Westen zijn. Waar is Clint? Een bron van menselijk leven in een verder uitgestrekte omgeving die in alles wordt overheerst door natuur.
Leegte.

Vanochtend begonnen we aan deze tocht en kwamen op een grappige manier achter de nieuwe haast onoverbrugbare wereld waarin we terecht waren gekomen. Nadat we onze slaapplek – weer een benzinestation – aan de rand van de geciviliseerde Outback hadden verlaten, was het plan om bij de eerst volgende koffietent onze dagelijkse goede-start-van-de-dag in de vorm van een espresso en cappuccino te halen. Na anderhalf uur rijden door een onbekende wereld, kwamen we eindelijk bij een tankstation en tevens laatste halte van leven. De koffie smaakte heerlijk, maar het waarschuwingsbord deed mijn hartslag versnellen: We are the last fuel stop, 256 km. Welkom in de Outback.

Er volgden honderden kilometers, ook over onverharde, saffraan gekleurde wegen. Het was Jo en Mike, en ons busje die het soms zwaar te verduren had. We reden uren, vele honderden kilometers schoten onder de wielen van ons busje terwijl we niemand troffen en, als we iemand, een mede verloren ziel zagen, werd er gegroet: een kort handgebaar ten teken van wederzijds begrip en respect. Een ogenblik van hoop in het eeuwige. Dat er een speciale band ontstaat tussen iedereen die zich begeeft in het woeste blijkt uit het feit dat voorbijrijders controleren of alles goed gaat wanneer je langs van de kant stil staat. Twee keer, toen we een (plas)pauze namen, remde er een mede Outback-touareg om te checken of alles goed met ons ging. Iedereen is zich meer dan bewust van de gevaren die hier op de loer liggen. Een keer werd zo’n gevaar fysiek duidelijk. Aan de rand van de weg stond een over de kop geslagen busje. Het wrak stond er al enige maanden en was achtergelaten in de berm. Hopelijk gaat het goed met de bestuurders. Onwennig lieten ook wij het voertuig verder ontberen; de Outback wacht op niemand.

Het licht is geel. Geel licht is vreemd. De droger draait niet meer. Op de stoep voor de laundry heeft mijn vriendinnetje de maaltijd bereid, het is heerlijk. Het licht is geel. Morgen weer een dag.

Einde

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.