Rode ballon met groene stoplichtloop

Vingertjes knijpen in het steeltje. Hoog boven Jim’ hoofdje reikt een rode ballon, zijn kostbaarste schat. Samen met Hanck heeft hij vandaag het Lunapark bezocht. Wanneer je ‘s avonds over de Harbour Bridge rijdt weerspiegelen lampjes van deze constante kermis in het water als een kleurig palet. Met zijn andere handje houdt Jimmi de hand van zijn vader vast. Het was een leuke dag. Samen lopen ze richting huis terwijl kleine voetjes twee keer zo snel stappen. ‘Waarom is mijn ballon eigenlijk rood?’ Hoort Hanck plots vragen.
‘Omdat de ballonnenbouwer bij de kraam waar we hem kochten, hem rood heeft geverfd’, zegt hij vriendelijke tegen zijn zoon en hoopt dat er geen vervolgvraag komt.
‘En waar komt rode verf vandaan?’ Hanck bekijkt het mannetje. Hij zou kunnen uitleggen dat kleuren op het netvlies worden opgevangen door receptoren: de kegeltjes en staafjes. Kegeltjes zetten geel, rood en blauw om in kleuren en zijn dus verantwoordelijk voor een kleurrijk leven. Er zijn twee keer zo veel kegeltjes voor rood als voor groen, en ook blauw. Staafjes daarentegen zijn nodig voor ‘lage lichtomstandigheden’ en vormen de nachtkijkers. Hij zou verder kunnen gaan en vertellen dat lichtprikkels door onze hersenen worden omgezet in beeldinformatie.
Oogbollen, irissen en alles wat daarmee samenhangt zijn geen enkel probleem voor de KNO-arts in het Sydney Eye Hospital, maar hij besluit anders: ‘Kun je nog herinneren dat wij twee dagen geleden een regenboog zagen?’ Er wordt geknikt. ‘Er is een grote verffabriek voor de kleur rood, een voor blauw en een voor geel. In die fabrieken krijgen dingen hun kleur. Jouw ballon is in de rode verffabriek geverfd. Iedere fabriek heeft grote vrachtwagens die op zoek gaan naar regenbogen. Ik denk zelfs dat je de rode vrachtwagen wel eens hebt zien rijden…’ 
Jimmi kijkt zijn vader vragend aan… ‘Ja, er stond Coca Cola op en was helemaal rood van de verf. Als er een regenboog is, rijdt zo’n grote vrachtwagen erheen en vult zich met rode verf.’
Berusting in het wezentje. Z
onder iets te zeggen, loopt hij verder mee aan de hand van zijn vader. In zijn ene handje stevig z’n ballon, in de andere voelt hij de veilige hand van zijn vader. Ze naderen een rood verkeerslicht op de kruising van Bourke st. en William st. Vader knijpt zacht, ze stoppen.
‘En waar komt oranje dan vandaan?’ Vraagt Jimmi kijkend naar het stoplicht.
‘Dat weet je wel. Zelf heb je wel eens met je verfdoos kleuren gemaakt toch. Weet je nog toen je geel mixte met rood. Inderdaad, daar kwam oranje uit.’ Het stoplicht springt op groen en voordat de vraagt komt, vervolgd Hanck: ‘Groen maak je door geel en blauw te mixen.’ Ze steken over. Jimmi kijkt naar zijn ballon die zich nog steeds hoog in de lucht begeeft.
‘Op school heb ik geleerd’, zegt Jimmi voorzichtig, bang dat hij iets vraagt wat zijn vader niet weet, ‘dat regenbogen er alleen zijn als het regent. Maar soms regent het heel lang niet. Hoe komen de fabrieken dan aan kleuren?’
‘Ik denkt dat fabrieken grote gebouwen hebben waar ze kleuren opslaan.’ Hanck stopt even, ze passeren een elektronicawinkel. Hij vervolgt: ‘Heb je de tv bij oma en opa wel eens gezien?’
‘Die grote gekke?’
‘Ja, daar hebben we toch wel eens gekeken naar kinderprogramma’s die pappa vroeger zag. Die programma’s hadden geen kleur, weet je hoe dat kwam?’
‘Nou?’
‘Omdat het toen heel lang niet had geregend en de kleuren bijna op waren. Ze konden geen kleuren meer gebruiken voor televisie.’ 
Even twijfelt Hanck om te zeggen dat kleding toen ook kleurloos was en roodharigen niet werden geboren, maar hij houdt zich in. Tevreden lopen ze door.
‘Ik vind mijn ballon mooi, pappa.’
‘Ik ook, heel mooi zelfs.’

Auto’s rijden toeterend door straten aan de voet van wolkenkrabbers. Mensen lopen als mieren door elkaar. Hoe het precies gebeurde weet zelfs Hanck niet. Misschien was het een windvlaag of zat hij niet goed vastgeknoopt, maar plots raakt de rode bal van lucht los van het steeltje en dartelt als een balletje weg. Jimmi schrikt, maakt aanstalten om achter zijn schat aan te gaan, maar wordt tegengehouden. Te gevaarlijk. Weg ballon, weg schat.  

Tweeëndertig minuten eerder, iets verderop.

Ik stap uit bus 438 en haal diep adem. Heerlijk. Het is vreemd zo ver van huis te zijn. Als nieuweling hier rond te lopen terwijl alles, gebouwen, mensen, het eten, voelt als een vertrouwde spijkerbroek. Ik ben op reis, want mijn generatie gaat na hun studie de wereld ontdekken – zichzelf ontdekken. De kamer van het verantwoordelijke leven wordt vermeden; wij zijn op zoek naar genot, plezier en zelfontplooiing; hedonisme als hoogste goed. Werken kan altijd nog. Dus dwaal ik door Sydney, geen idee waar heen te gaan, de link met mijn eigen leven snel gemaakt.
Het is plezierig om zaterdagmiddag door het centrum van Haarlem te struinen. Ik aanschouw daar onze consumentistische maatschappij in optima forma: ik haat het. Mensen slepen tassen voort gevuld met nodeloze waar: ik houd ervan. Hier in Sydney is het niet anders, sterker: eigenlijk is het erger, groter, massaler. Komt daar mijn snelle onverklaarbare liefde voor deze stad vandaan? Ik nader een kruispunt, de vier stoplichten rood gekleurd. Maar net als ik er ben, springen er twee op groen. Ik laat me leiden door deze verandering en steek over. Ik loop een blok en geniet van alles om me heen. Bij het volgende kruispunt staan de lichten weer op rood, maar ik vind dat ik moet blijven lopen, dus sla ik rechts de hoek om tot het volgende blok. Een idee geboren: rood is de hoek om, bij groen steek ik over.

‘Wat doe je zoal, als je op reis bent?’ is een veelgehoorde vraag. Ik zou kunnen zeggen dat ik met mijn busje langs de Oostkust van Australië heb gereden. Ik genoot van prachtige natuur, lieflijke stranden en ruige bossen. Maar het leukst is lopen. Weer een stoplicht, ditmaal groen. Als ik doorloop haal ik hem. Buiten adem aan de overkant loop ik plots door een straat. Er hangen rode lampionnen. Eettentjes bevestigen mijn vermoeden. Twaalf minuten wandel ik vervolgens door China town, een wonderlijke enclave in deze Westerse stad. Bij het volgende rode stoplicht, sla ik de bocht om, dit maal links, dan bij groen steek ik weer over, maar lopen blijf ik altijd. 

Het is misschien slap, maar ik leg graag het lot buiten mijzelf. Two-Face deed het al in Batman. Met een simpele tos bepaalde hij het levenslot van zijn tegenstanders. Frank Underwood: de zelfde methode in House of Cards. Één moeilijk dilemma? Kop of munt biedt altijd uitkomst. Ik gebruik flipism al jaren. Ideaal. En het beste is als je een onbehaaglijk gevoel – licht is groen, oversteken – krijgt bij de uitslag, doe dán juist het andere. Zit je altijd goed. Groen en rood bepalen nu mijn weg. Soms een keuze links of rechts, maar ik laat me leiden, en wandel langs Bookshop Abby waar een zwerver op een kleedje zit. Ik geef hem een dollar, hij lacht. Dit is wat ik als reiziger het liefste doe: mijn eigen bedachte groene stoplichtenloop. Na een tweeëndertig minuten precies – en drie keer de vragende blik van de zwerver te zijn gepasseerd – gebeurt iets waardoor mijn ogenschijnlijke nutteloze loopje, als plots omslaan van het weer, enige mate van importantie krijgt. Achteraf bleek ik al een poosje achter hen aan te lopen, maar vanwege drukte en daarmee komende prikkels bleven ze onopvallend – zelfs de rode ballon.
Er ontstaat tumult omdat die ballon als een verloren kind over de tegels zweeft. De taxi wijkt, een kind wil zijn schat pakken, maar wordt tegengehouden door vermoedelijk zijn vader. Verdriet op de loer. De ballon verder de diepte in, richting mij. Ik kan nu kiezen, stap ik uit de sussende massa of doe ik niets. Ik verander koers, ontwijk een fietser en doe wat ik moet doen; geluk als hoogste goed. Duizend maal dank.

Thuisgekomen rent Jimmi de trap op, zijn kamertje in. Met een stift tekent hij een vrolijk gezichtje op zijn rode vriend, en een petje – die heb ik altijd op. Daarna in de weer met plakband en een touwtje. Als zijn vader ‘s avonds welterusten zegt en het leeslampje aan knipt kijkt hij voor het verlaten van de kamer nog een keer naar de rode ballon die inmiddels mijn naam draagt. Daar hang ik als rode ballon naast de andere held een poster van een wereldberoemde voetballer. Twee helden van dat kleine mannetje, in die kleine kinderkamer. Wie durft nu nog te zeggen dat gewoon een beetje lopen geen nut kan hebben.

-Einde-

 

 

2 gedachten over “Rode ballon met groene stoplichtloop”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.