Bedbugs

Ze gooit een zakdoekje op tafel en vouwt het open. Ik zie een klein rood vlekje. ‘Dat is bloed van een beestje,’ zegt ze verwachtingsvol, en omdat de te lange stilte haar niet bevalt vervolgt ze: ‘Dat is een bedbug. Ik ga niet meer in die kamer slapen.’

Vier dagen werk ik in Hotel Mui Ne Hills. Een totaal nieuwe wereld en ervaring. Nooit werkte ik op deze manier in de horeca – ook niet op andere manieren, maar dit terzijde. Het is ook de eerste keer dat ik zo veel verschillende mensen ontmoet in een dusdanig korte tijd. De wijze van sociaal contact dat ik heb met klanten is als het wegschieten van een elastiek: makkelijk en voor je het weet is het weg. Oppervlakkigheid als norm. ‘Hoe lang reis je en waar ga je heen?’ zijn standaard vragen. Evenals het antwoord. Iedere reiziger denkt iets uniek te doen, maar van anders is geen enkele sprake. We volgen. Soms vind ik de conversaties moeilijk, want enige mate van diepte is alleen in het zwembad te vinden.

Ik had ze al meteen na aankomst gespot en zoals het een waardig waard betaamt had ik een praatje aangeknoopt. Los van de grote verrassing dat deze twee totaal verschillende Eindhovense meiden zussen bleken, zou je denken dat het prima dames waren. Goed, een zachte g, maar dat neem je voor lief. Een eerste teken van onheil ontstond na de eerste nacht. Toen ik het als ‘aanspreekpunt’ aan moest horen. Ik knikte begripvol. ‘Natuurlijk is het vervelend’, ‘ik zal kijken wat ik kan doen,’ maar mijn gedachten vulden zich met een glimlach.

Die eerste nacht had een dronken Chinees – of iets dergelijks – zich toegang weten te verschaffen tot het balkon van de Nederlandse zussen, waarschijnlijk in de veronderstelling dat het zijn eigen kamer was. Na geluid op het balkon is een van de meiden gaan kijken en voor ze het wist stond ze oog in oog met haar ‘belager’. Enkel glas bood veiligheid. Toch verdween de man weer snel, maar de schrik was groot. Ze deed geen oog meer dicht. Stel je voor, wat er had kunnen gebeuren. De volgende dag deden de kuikens uit het veilige Nederland hun beklag bij de baas. Hun eis: een gratis nacht.

Ik kon live aanwezig zijn bij het gesprek tussen Jut & Jul en eigenaar Erik, een Belg die hier een hostel heeft. Ook hij raakte na luttele minuten vermoeid door het op zeurderig toon uitgebrachte gewauwel; als een kind dat een snoepje wilt. Het gesprek zou drie uur duren. Voor mij een feest, wanhoop aan beide kanten. Uiteindelijk werd de boel gesust met een wijntje, die ik uiteindelijk op moest drinken omdat ze pijn in hun buik hadden. Ze gingen vroeg naar bed.

Eerder diezelfde dag arriveerden twee Nederlandse binkies. Aan hun accent te horen kwamen ook zij uit het zuiden, maar ze woonden in Amsterdam. De lange dunne was een opvallende subject gezien zijn constante veel te brede grijns. Hij lachte het leven toe en vond alles grappig. De ander: cynisch en gereserveerd, hetgeen mij niets verbaast als je met zo’n extroverte clown op pad bent. Toen het diplomatieke topoverleg tussen Banki ‘Erik’ Moon en de twee gezusters was beëindigd, kwamen de nieuwe jongens aanschuiven, misschien ook een reden voor de dames om direct op te stappen. Plezier? Niet op reis. Maar al snel zouden zij zich weer van zich laten horen.

En daar staat ze. Ze gooit het doekje op de tafel: ‘Kijk, ik ving een beestje en kneep het dood. Dat is bloed.’ Godzijdank geen menstruatiebloed, denk ik nog. Ze kijkt me aan alsof ik haar probleem moét oplossen. Haar stem huilt als een doedelzak in mijn kop. Ik haat doedelzakken.
‘Eerst moet ik jouw wijn opdrinken,’ zeg ik. ‘En nu dit. Dat is niet leuk voor mij. Ik ben ook op vakantie.’
‘Kan je helemaal niets doen? Ik ga echt niet meer in die kamer slapen. Dit zijn bedbugs.’
Hoe graag ik dit verloren zieltje zou willen helpen, ik heb echt geen idee. Dit is mijn twee werkdag. Iedereen is al weg. Ik kan niets doen. Ik wil niets doen. Haar zusje komt met al haar spullen aanlopen. Ze blijkt al te zijn gebeten. Vreselijk. Ze staan erbij alsof ze net door Duisters op de trein zijn gezet, hun tassen als enige bezit. Tijdens een kort gesprek heeft de lachebek dé oplossing.
‘Jullie kunnen wel bij hem op de kamer slapen,’ zegt hij wijzend op mij. ‘Hij heeft genoeg ruimte.’
‘Dat kan zeker,’ antwoord ik hoopgevend. ‘Ik slaap alleen wel naakt.’
De lachenbek rolt over de grond van het lachen. De meiden druipen af en ik voel, hoewel dit niet hoeft, me toch verantwoordelijk. Ik loop achter ze aan: ‘Jullie kunnen op de gang slapen op de banken of op de bedjes rond het zwembad, daar is het wel immers donker.’

Tien minuten later lig ik zelf in bed. Ik kan de slaap niet vatten. Deze Zuske en Wiske uit het veilige Nederland hebben werkelijk geen idee, onwetend over de gang van zaken in de wereld. Nooit zelf iets hoeven oplossen. Paps en mams als Bedrijf Oplossing bij minimale problematiek. Het zou me werkelijk niet verbazen als ze nog nooit een neger hebben gezien. Gewoon veiligheid, een kleine wereld. Ze zouden kunnen gaan lopen, de wilde nacht in. Gevaren op de loer. Ik besluit om bij de receptie te checken waar ze zijn. De man spreekt geen woord Engels. Google Translate biedt uitkomst. Aha, ze liggen gewoon lekker op hun kamer, tussen de beestjes. Iets dat je minimaal een keer meegemaakt moet hebben als je reist. Het is waar: reizen maakt volwassen. Al ben ik bang dat er voor Meneer Lachebek geen hoop meer is.

Einde.

Xm

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.