Ulaanbaatar: broeinest van boeventuig

Deel 1. Aankomst 

Ik had mijn hostel, zoals altijd, al geboekt. De Trans Mongolië Express glijdt onvermoeibaar achter mij richting de volgende bestemming. Het is kouder in de hoofdstad van Mongolië, mijn uitgeademde zuurstof rolt als vlassige dampen over mijn lippen. Mijn telefoon zegt dat het veertig minuten lopen is naar mijn hostel. Ik ben moe, maar heb zin in de wandeling door deze voor mij verse omgeving. Bepakt als een kameel ontdek ik dat de infrastructuur van mindere kwaliteit is dan in Beijing. Ook nu brengt mijn navigatie mij door aftandse wijken waar auto’s over niet-geasfalteerde wegen hobbelen, een dikke stofwolk achter zich latend. In deze buurten, met huizen die doen denken aan Braziliaanse favela’s, schieten argwanende blikken op mijn gestalten en ik denk: dat zal vast door de wijk komen, later zullen mensen vriendelijker worden. Ik verlang naar mijn gezellige China.

Na twintig minuten struinen, is mijn kleine beetje blije gevoel verdwenen. Iedereen tuurt nors voor zich uit, oogcontact vermijdend. Op vrouwengezichten – mooiere types dan in Beijing – zit vaak een dikke laag make up, hun kloffie is wat je noemt meer gericht op voortplanting en seksuele interactie, maar zeker niet met mij. Als ik al oogcontact krijg en lach, wordt er emotieloos weggekeken.  Na weer twintig minuten lopen, kom ik ter bestemde plaatse, tenminste: de navigatie geeft aan dat het hostel hier ergens moet zijn. Ik ben omringd door grauwe flats lijkend op  hangende, bevuilde gordijnen. Er klinkt ongeduldig getoeter. Ondanks de op een speelplaatje spelen kinderen, voelt alles verlaten; geen plek voor een hostel. Ik stap een duistere bar binnen en vraag waar ik moet zijn. IN slecht Engels wordt het gebouw aangewezen. Eindelijk, denk ik en ik schuifel naar de aangewezen lokatie. Als ik binnenstap weet ik één ding: foute boel. Deze geur ken ik. Overar te wereld, waar je ook komt ruiken ze hetzelfde; een universaliteitsbeginsel in de wereld van haar, scharen en nodeloze gesproken. In de kapsalon worden twee dik opgemaakte vrouwen behandeld, een derde kijkt mij vriendelijk aan. Gelukkig, het bestaat: aardige Mongolen. Ze spreek zelfs goed Engels en belt voor mij het hostel, wat blijkt: de locatie is ergens anders, op een kilometer afstand. Godverdomme.

Na weer een vermoeide wandeling – ik ben er fucking klaar mee – enter ik langzaam het hart van de stad. De achenebbisj woningen transformeren in achenebbisj winkels, waar met neon letters toeristen moeten worden gelokt. Ik voel mij nog steeds niet helemaal op mijn gemak. De druk bereden wegen – het overgrote gedeelte van de auto’s is een Toyota Prius – doen denken aan Kaboel en niemand lijkt acht te slaan op mijn vrolijke verschijning. Gelukkig ben ik bijna ter bestemder plaatste, maar makkelijk wordt het wéér niet gemaakt. Ik loop een restaurant binnen waar het hostel zou moeten zijn en vraag de weg. Het halve restaurant bemoeit zich mijn aanwezigheid, de stemming hectisch. Een oude man, luid roepend belt het hostel. In gebrekkig Engels wordt mij verteld dat iemand van het hostel mij komt ophalen. Eindelijk. Godverdomme.

Zakkenrollers

Ik loop achter haar aan, een gebouw binnen. Niets doet vermoeden dat dit een hostel is. We stappen een kantoortje binnen met op de deur een bordje: Travel Mongolië Guest House. Na een gesprek blijkt dat ze geen kamers hebben, ze kan me wel ergens anders heen brengen. Ik ben er behoorlijk klaar mee, mijn heup doet pijn, ik heb net vierentwintig uur in een trein gezeten en de pyramide van Maslow treedt in: een mens heeft behoefde aan sociale behoeften, veiligheid en zekerheid. Ik wil een kamer, godverdomme.

Ik boek een ander hostel en na opnieuw twintig minuten lopen kom ik bij het gebouw aan. Ik lees Top Tour Mongolia, dit moet goed zijn. Er zijn vier ingangen en nadat de vierde ingang, na een derde rondje om het gebouw ook een winkel blijkt te zijn – ze vitamine pillen verkopen – schelt ik in het Nederlands dat dit een kut land is. Ik lach er vriendelijk bij zodat de vrouw geen idee heeft.  Ze lacht vriendelijk terug, de zeug. Ook deze vrouw zei dat de ingang van het hostel aan de andere kant is, maar daar ben ik dan al drie keer geweest. Ik doe een vierde poging en ontdek dan een blauwe, roestige deur met ernaast een roestig bordje waarop staat: Top Tour Mongolia. Godverdomme. Ik open de deur. Loop hijgend vier trappen en sta in een donker trappenhuis voor een deur. Ik bel, geen gehoor. Ik klop, ik hoor gestommel. Een Japanner opent de voordeur hij zegt dat de eigenaresse er niet is. Dat maakt mij niet uit, ik wil nu naar binnen. Na dertig minuten wachten komt de eigenaresse, een tweede alleraardigste vrouw. Ze legt alles vriendelijk uit, geeft de nodige informatie en als ik ’s avonds helemaal alleen in mijn dorm lig, denk ik aan wat de vrouw eerder heeft gezegd: ‘Als je rondloopt, kijk dan uit voor zakkenrollers, wilde honden.’ Wat is dit voor land…

Wordt vervolgd.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.