De Mongool met z’n muurtje

Met een kop alsof hij tussen een bankschroef heeft gezeten en horizontale blik met donkere ogen antwoordt hij: ‘No.’ Nou zeg, denk ik. Ik doe je heus niets aan hoor, ik vroeg alleen of je Engels spreekt. Zijn norse kop naar voren gericht alsof hij helemaal geen zin heeft in dit ritje en zijn hand nonchalant aan het stuur. Hij manoeuvreert zich overal tussen. Links heeft hij, wat mijn vader vroeger in de vrachtwagen een “bakkie” noemde vast. Hij roept er dingen tegen, soms krijgt hij antwoord. Deze man toont in één rit de volksaard van Ulaanbaatar. De afgelopen dagen vulden zich met bokkige blikken en knorrige reacties. Misschien dat de kou parten speelde, mensen diep verwikkeld in hun winterkleding. De enige die normaal sociaal contact vertoonde was Muggi, de vrouw van het hostel. Het kostte haar wel grote moeite want iedereen “behoort” een tour te doen, slapen in een ger bij een nomadenfamilie. Maar daar had ik geen zin in. Ik zei dat ik weinig geld had en liever door de zonderlinge stad doolde, iets wat ze moeilijk kon omarmen. Dat ik als reiziger geen tour deed, trok als een lopend vuurtje door de stad. Ik werd verguisd, beschimpt, weggehoond. ‘Kijk daar heb je die jongen die geen tour doet’, fluisterden mensen als ik voorbij liep. Ik was de uitgestotene van Ulaanbaatar.

Ik kijk uit het autoraam, auto’s rijden als hectische mieren door elkaar. Stoppen voor voetgangers kost moeite en altijd blijven de wielen langzaam draaien om de wandelaar geen overbodige seconden te gunnen. Het recht van de sterkste lijkt hier als een primitieve wet te gelden. SUV’s met fonkelende velgen drukken zich er brutaal tussen, zelfs mijn chauffeur moet op de rem. Onder luide muziek rijden er, voor wat door moet gaan als gepimpte auto’s, rond. Wij noemen dat: proletenbakken. Inzittenden proberen met hun imposante bolide indruk te maken op het vrouwelijk schoon dat zelfverzekerd en zwaar opgemaakt over straat paradeert. De vrouwen zijn zeker mooier dan in China, dat moet beschreven, maar ze doen er in Mongolië ook alles aan. Daar komt bij dat zelfs een behaarde Pool met make-up mooier is dan vrijwel ieder vrouw-ding in China. Kleding van de poppetjes in Ulaanbaatar is duidelijk gericht op seksuele interactie. Het liefst met de voorbijrijdende, stoer kijkende knapen in hun wagens. Ik had geen kans, dat begrijpt u.

Markten

De mate van onontwikkeldheid komt ook terug op de zwarte markten. Marskramers proberen hun uitgestalde waar aan stoeptegels te slijten, iets, als je kijkt naar de hoeveel markten en kramen, wel degelijk lukt. Op markten waar je op je hoede moet zijn voor zakkenrollers – ook zo iets primitiefs – lopen de paden ongestructureerd. Er valt geen lijn te ontdekken, wel veel namaak merkkleding. De weinig aanwezige blanke passanten – vaak meer welgesteld dan de gemiddelde marktkoopman – wordt vakkundig genegeerd, wij noemen dat thuis racisme. Alles ruikt naar onverteerbare lomp- en schraalheid, maar de mate van schraal culmineert in de geparkeerde auto’s die uit hun op de stoep gerichte achterbak, allerhande waar aanbieden. Ik wist niet wat ik zag. Maar wellicht nóg schraler was The Peacebuilding. Een origineel lijkend flatgebouw dat door de jaren is getransformeerd tot een warenhuis. Geen exemplaar als de Bijenkorf of, god hebbe haar ziel, de V&D. Dit gebouw gevuld met sinistere etages waar men zelf turbulente kraampjes had gemaakt. Gangen liepen als een doolhof door elkaar. Tl-lampen knipperend, mijn aanwezigheid ook hier niet op prijs gesteld. Gelukkig was er één punt van herkenning: een H&M. Tenminste er hing een bord van dit bekende modehuis. Mijn verbazing reikte tot grote hoogte toen ik ontdekte dat sommige winkeliers producten verkopen van dit Zweedse merk en zich daarom voordoen als zijnde die winkel. Ik vraag mij af wat meneer H.of mevrouw M. daarvan vindt. De borden hangen overigens door de hele stad.

We arriveren bij het station. Dan gebeurt het. Ik had het al eens gehoord, maar nooit live meegemaakt. Zijn norse gelaat lijkt als een goocheltruc te verdwijnen, mondhoeken vouwen zich naar boven en hij zegt: ‘Good Bye.’ Ik sta versteld. Wel blijft-ie zitten en laat mij onhandig mijn backpack pakken, en terwijl ik bezig ben komt er nog een verrassing: ‘Good Luck’. Hij lacht zelfs. Mijn hart maakt een huppeltje. Er is toenadering en behoefte aan sociaal contact tussen mij en een Mongool. Ureka! Ik had al eens gehoord dat ze (zit vast ergens in de chromosomen) een muurtje om zich heen hebben. Daar moet je eerst doorheen, lukt dat, dan ben je werkelijk binnen. Mooi eigenlijk. Wauw, het is mij, bij tenminste één iemand gelukt. Zie je wel: de mens is een sociaal wezen, sommigen hebben alleen wat meer tijd nodig. Ik voel me helemaal gelukkig  -of, godverdomme, lachte hij omdat ik hem fooi gaf. We zullen het nooit weten.

Xm.

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.