2. Omsk: diarree, Dostoevsky, militairen

Militairen met hun worst

De militaire jongens zijn verdwenen, spanning van de fles. Ik vond ze niet irritant en natuurlijk waren ze meer dan welkom, maar ik heb diarree als de Niagara waterfalls. Er lijkt een aambeeld in mijn buik te zitten, een alles ophoudende stuwdam. De behoefte aan rectale ontluchting tot grote hoogte gestegen, evenals angst voor sfeerverlagende, stinkende scheten. Gelukkig hield mijn buik zich, ze merkten niets. Ik kijk naar mijn bedje. Dit enige, voor mij, stukje privédomein van den treinreiziger, moest ik deze reis vaker dan me lief was delen. In een cabine zijn twee hoge – en twee lage bedden. De onderste zijn prettiger omdat je beter kunt zitten en een tafeltje hebt. Vaak lagen de twee legerjongens, waarvan er één met mij op de foto wilde, rustig op hun bovenbedden te slapen. Maar liggen wordt na uren saai, dat begrijp ik en dus kwamen ze soms omlaag om hun benen te strekken of te eten.
Automatisch maakte ik ruimte om hen te laten zitten, ik ben een sociale jongen, helemaal toen ik zag hoe die ene met mijn mes speelde. Het waren bereidwillige lui, ze stonden open voor een praatje en probeerden te communiceren. Normaal zou ik me moeiteloos hebben aangepast. Mijn één bij twee meter tellende stukje eigen land in deze trein delen was geen probleem, sterker: als reiziger, zeker in een vreemd land, draag je de plicht dat te doen. Toch, ik heb er lang over nagedacht, waarom voelde zij na verloop van tijd, met hun indringende geur van worst als een betasting van een vieze oom, als een toetreding op eigen grond, als een aantasting van iets waarvan ik dacht er recht op te hebben. Helemaal omdat mijn darmen niet deden wat wilde: gewoon in rust zonder pijn hun werk doen.

Eten

Het werd steeds benauwder in de kleine cabine. Ik voelde constant steken en wilde liggen, maar dat ging niet omdat vijf jongens noodles aten met worst waarvan de aroma als een breinaald in mijn neus prikte. Als de deur open had gestaan, hield ik het misschien langer vol. Ik moest weg. Als een ontsnapte gevangene uit Alcatraz waggelde ik bevrijd door de gangen, de geur van worst als een herinnering in mijn neus. In het restaurant zaten vier medewerkster te beppen, ze zagen mij, stonden ze op en namen een pseudo werkhouding aan. Ik werd geholpen door een aardige mevrouw en bestelde kalkoen met groente. Dat kon ik wel gebruiken. Ik kreeg mijn bord en had een nieuwe uitdaging: het vlees was verwarmd in een magnetron, taai als rubber. Voor wat door moest gaan als groente was komkommer en tomaat. Eetsmakelijk. Een SOS-signaal gonsde door mijn darmen, ze smeekten dit voedsel niet toe te laten. Het zat me niet mee, kut zooi. Fuck amor en fati!
Ik was weer eenzaam zoals ooit op die farm in Australië. (Lees nacht van Arbeidt.) Maar, tijd maakt rijper. De mens is – in sommige gevallen – een zichzelf ontwikkeld wezen. Ook ik (probeer) te leren en dwong mezelf door deze moeilijke, benarde situatie zelfstandig te varen. De aandrang was groot om mijn telefoon aan te sluiten op G3, ik had immers een Russische simkaart en kon makkelijk contact zoeken met een veiligheidslijn aan het thuisfront. Ik deed dat niet, wilde het niet. Dit moest ik alleen doen. Ik tuurde naar buiten. Gedachten vloeiden samen met nachtelijk Siberië, waar mijn trein als een lichtgevende lucifer doorheen trok. Waarom voelde ik me zo? Ik zag mijn eigen gezicht in het raam. Lang haar, scheefstaande neus. Ik sloot mijn ogen, dacht aan thuis, aan mijn vader, mijn vrienden, aan dat ene meisje. Wat zou ze doen, dacht ze ook aan mij?
Ik wilde niet terug naar de cabine vanwege de door mij zelf gecreëerde, oneerlijke bangheid, mijn eigen bed meer te moeten afstaan dan ik op dat moment zou willen. Natuurlijk had ik mijn plek legitiem kunnen opeisen. Ik had betaald dus het recht, zou een ander wellicht denken. Maar soms meer geven dan goed voor je is, soms je verlies nemen, kan geen kwaad. Waar zouden de Israëli’s en Palestijnen zijn als één van hen verlies nam. Uit verlies kan makkelijker winst groeien. En als ik het omdraaide: stel dat ik het bovenste bed had gehad, dan zou ik ook mijn noodles beneden aan het tafeltje willen verorberen. De worst liet ik thuis. Mijn buik rommelde al, weer een pijnlijke scheut. Thuis in mijn eigen bed, omringd met lieve mensen, dat wilde ik. Achter de bar stonden flessen Whisky, dat zou ook een goede remedie zijn.

Handdruk met gedachtes

Via koude gangen en industriële ruimtes liep ik terug naar mijn cabine. Tussen twee wagons, waar zich een tochtig vacuüm bevond en koude wind als een zaag zich in mijn gezicht drukte, stond een roker. Vreemd dat mensen zichzelf zien als intelligent, ontwikkeld en rationeel, maar dat zulke erbarmelijke omstandigheden worden getrotseerd om een verslaving te beantwoorden. Wie zou wereldwijd het grootste risico hebben genomen op een paar halen van een sigaret, bedacht ik terwijl ik verder liep. Zou iemand zijn eigen vinger hebben afgehakt, of een moord hebben gepleegd voor één haal van een peukie?
Ze zaten er nog steeds, maar er was iets veranderd. Grote groene tassen, duidelijk leger makelij stonden levenloos op de grond, ze hobbelden mee op het ritme. Hun spullen waren gepakt. Als ik goed was geweest had ik met misschien jammer gevonden dat ze bij de volgende halte de trein zouden verlaten. Van de aardigste kreeg ik een ferme handdruk en terwijl onze handen verstrengeld waren dacht ik: zou hij met diezelfde hand de trekker overhalen? Zou hij uit naam van Mother Russia iemand het leven hebben ontnomen? Zou hij met een simpele beweging een moeder in een papperige brei van verdriet hebben doen geraken, na het bericht dat haar kind nooit meer levend thuis zou keren. We leven allemaal op deze aarde en doen dingen waarvan we niet weten waarom we ze doen. Weinigen volgens echt hun hart, de meesten volgzaam als schapen. Individualisme als grootste illusie. Een zelfbedachte waan, wij allen denkend iets bijzonders te doen of te zijn, maar juist daarom identiek: een collectief, een roedel impala’s. Ook ik als reiziger dolend in mijn perceptie iets bijzonders te doen, zie deze reis als unieke gebeurtenis en verdrink in dezelfde trotse gedachten. Ik doe iets speciaals, ik doe iets bijzonders, ik schrijf er maak er zelfs filmpjes over, zo exceptioneel vind ik mijn gebeurtenissen. Maar, miljoenen gingen mij voor. Deze treinreis voltrekt zich iedere dag, tienduizenden malen per jaar, zonder microscopisch element van exceptionalisme. Gewoon van a naar b, gewoon een trein met metroska’s, medewerksters die zonder empathie, soms glimlach, maar met starre blik hun werkzaamheden uitvoeren. Gewoon ijzeren wielen over een spoor. Toch is het mijn beleving, mijn eigen verhaal in deze aldoor herhalende wereld die de ervaring voor mij meer dan uniek maakt.
Hij probeerde zijn hand al los te trekken, het lukte niet en nu roept hij iets in het Russisch. Verschrikt liet ik los zijn hand los. Ik zag hem nog net zijn grote tas pakken en weglopen. Ik draaide me om en stapte de cabine in. De militaire jongens eindelijk verdwenen, eindelijk rust, ik kan weer dromen in mijn droom. Maar de droom zou een nachtmerrie worden op het moment de deur zich opent…

Het ergste moet altijd nog komen.

Xm.
Einde.

 

 

BewarenBewaren

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.