Fragment uit Dagboek van een eeuwig 27-jarige

Door M.H.R. Puttmann
Leestijd: acht minuten.

Zondag 3 juni, late tijd.

Lichtgevende wattenstaven aan het plafond, een groezelig tapijt en vier barkrukken met slijtageplekken. Op het bureau liggen schriften, pennen, volgeschreven papieren. Mijn gitaar slaapt op de bank naast drie lege pizzadozen. In plaats van bord op schoot en Studio Sport plof ik op bed; wat de fuck is er het afgelopen weekend gebeurd? Als dit een voorbode wordt van hoe de rest van mijn leven zich ontwikkelt dan kan ik het best de trein terug naar China nemen en daar in een sport- /strafkamp proberen tafeltenniskampioen te worden. Dan trilt mijn mobiel, ik zoek en lees haar naam in het scherm: dat kan er ook wel bij.

Het begon donderdag met een bezoekje aan de huisarts. Terwijl zij met loep en zaklamp – leuk woord in dit verband – de za(a)k onderzocht, vroeg ik me af hoeveel piemels zij in haar leven heeft onderzocht, en vastgehouden, en of ze wel eens heeft geneukt met een onderzoeksproject.
‘Nee dat is inderdaad geen soa, maar waarschijnlijk een schimmel. Je krijgt een zalfje, dan moet het weggaan,’ sprak zij als een keurslager.
Een schimmeltje, dacht ik, die kreeg ik vroeger van mijn ex, net als hoofdpijn en rode bultjes in mijn nek van haar eeuwige gezwets. Voor de dokter kon opstaan bedacht ik me hoe grappig het zou zijn als ik haar swaffel.
Bij de apotheek moest ik wachten op het zalfje, nadat ik had plaatsgenomen in de volle wachtkamer, riep na een poosje de apothekersassistente: ‘Mijnheer Puttmann, uw antischimmelzalfje.’ Iedere blik op mij gericht, mijn buurvrouw begon ongemakkelijk te schuiven. Ik keek haar vragend aan en zei: ‘Wat nou… Ik ben tenminste geen met vrouw met haar op mijn kin en heb geen kop als een platgeslagen oester.’
Ik liep snel weg.

Een dag later, vrijdag, stond er weer wat leuks op het programma. Ik was uitgenodigd voor Hét Dichtersbal een pretentieus, extravagant evenement dat de tegenhanger moet gaan worden van het Boekenbal. Dat Hét Dichtersbal een bijzonder feestje zou worden bleek uit de aankondiging en filmpjes, waar spacende gezichten deinde uit een witte massa onder dichterlijk gezang en ruimtelijke geluiden.
Ik had de eer mijn twee vrienden mee te mogen nemen, we gingen namelijk als #MijnBoekje. Samen met Aardt en Jurre liep ik met een rugzakje spanning richting VondelCS. Daar aangekomen was niet het meest ridicuul de als konijn verklede dichter, de parade van enorme witte dierenkoppen, of de drag queens waarvan er één aanbod mij te gaan pijpen. Nee, het was de struisvogel mét snorkel die me het meest verbaasde.
Dan de drag queen met de opvallende aanbieding: aanvankelijk dacht ik dat dit zwart geschminkte ding met mondriaanachtige figuren op het gezicht, grote ring door de neus en enorme zwarte pruik een grapje maakte. Maar toen ik later bij de wc stond, paradeerde het wezen voorbij en kreeg ik te horen dat het aanbod nog steeds stond. Sterker: ik kon direct meelopen. Jurre lachte en riep: ‘Waarom niet schrijvertje, je wilt toch een vrije geest zijn…’ Vooral door dat laatste twijfelde ik een fractie van een seconden waardoor ik schrok van mijn eigen gedachten. Maar gezien mijn eerdere doktersbezoek was ik snel zeker van mijn za(a)k.
Later die avond ging ik ook op de foto met, zo bleek later, dé literair volkskrantrecensent. De volgende dag ontving ik berichten dat deze eerwaarde heer deze foto op zijn facebookpagina had gepost en zo zwerft er op het web een kiekje van mij met dit lippenstift dragend, wereldberoemd heerschap. Wel deed hij mij een beetje denken aan Anton Ego, maar of dat slim is om te schrijven weet ik niet…

Zaterdag moest ik werken bij Café Coops en los van het heersend Noord-Koreaans regime van baas Kim Jung Dolf, of lamme gasten hoopte ik op een normale avond. Lichten flikkerden door de kleine ruimte en los van een judomoeder die ik kende uit mijn tijd als judomeester, die zwetend hijgde in mijn nek hoe leuk ze me vond, gebeurde er niets buitensporig. Toch zou de tijd draaien en kreeg ik weer te maken met ongepaste avances in de vorm van een vrouwschap dat waarschijnlijk in haar corpulentie-ontkenningsfase zat. Of misschien hoopte ze dat ik als krielkip – ze bestaan – op vette wijven viel. Ik kreeg allerhande versierende opmerkingen wat me ongemakkelijk stemde als een kerstboom die wordt opgetuigd in een moslimgezin. Ook drukte ze haar boezem tegen mij aan, maar het meest angstaanjagend was wanneer ik voorbij liep en zij als een leeuwin over mijn rug krabde. Na vier keer voelde ik mij aangerand en bij deze wil ik de mannelijke equivalent van #MeToo introduceren: mannen verenigt u! Gemeenschappelijk hijsen wij ons zwaard en trekken ten strijde tegen de spleetachtige schimmel: vrouw. Bah!
#WeToo.
#VrouwBah

Mijn plan was om Zondag niets te doen. Ik wilde me met een fles rode wijn opsluiten in mijn kamer en had de kurk al in mijn hand toen ik een bericht ontving van mijn ex, ze vroeg wat ik aan het doen was. Ik stuurde: niets. Na een korte correspondentie spraken we af voor een kopje koffie. Twijfelend trok ik de deur dicht en rook de zonnige buitenlucht. Ik hoopte dat zij met haar therapeutische geneuzel mij kon overtuigen dat dingen wel normaal konden gaan, dat er wel vrouwen zijn die gewoon gedrag vertonen.
Aanvankelijk was zij als een vertrouwde haven na een stormachtige vaart. Maar gaandeweg merkte ik dat zij zwoel naar mij begon te kijken, dit gepaard met geluiden als een kaketoe in paringstijd. Laat ik het zo stellen: als een schone in de disco zo naar mij zou loeren dan eindigde die avond op minimaal honk één.  Maar goed, misschien was dit het na-effect van de oerknal die onze liefde ooit was. Ik nam een slok van mijn gemberthee en tuurde naar het blinkende water, toen gebeurde het.
‘Waarom kijk je mij steeds zo verliefd aan?’ Ik schrok van haar vraag en knipper met mijn ogen. Waarom ík haar zo aankeek? Ik háár zó aankeek… Aankijken bestaat uit de gratie van wederkerigheid; het is een wisselwerking waar beide partijen in participeren en elkaar beïnvloeden. Ik haalde mijn schouders op, rekende maar af, zei haar gedag en liep mijn eenzaamheid tegemoet. Normale vrouwen: ze bestaan niet.

Terug naar huis dwaalde ik langs het Spaarne, het water leek stil te staan. In mijn oor klonk Eddie Vedder.
Once divided…nothing left to subtract…
Some words when spoken…can’t be taken back…
Walks on his own…with thoughts he can’t help thinking…
Future’s above…
but in the past he’s slow and sinking…
Caught a bolt ‘a lightnin’…cursed the day he let it go…
Nothingman, Nothingman, nothingman. Isn’t it something, nothingman.

Nu ben ik thuisgekomen en lijkt het alsof er drie jaar voorbij zijn getrokken in de afgelopen vier dagen, ik plof op mijn bed. Mijn mobiel trilt, ik lees haar naam: dat kan er ook nog wel bij. Of ik morgen met haar een drankje wil doen. Tijdens mijn vorige date vertelde het vrouwmensch in kwestie uit het niets eigenlijk op vrouwen te vallen, maar het via mij wilde proberen met een mannelijk schepsel. De date viel haar vies tegen, ze vond me net niet vrouwelijk genoeg.
Ik lees weer het berichtje en zucht.  Als een met een argwaan gevulde zweer antwoord ik dat het me leuk lijkt; het moet ooit eens normaal kunnen met een vrouw.
Oiit.

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.