Twee Nanning -> Beijing

2. Tevredenheid

Combineer Amsterdam, Utrecht en Den-Haag cs verdubbel het aantal mensen en u heeft een idee van Nanning trainstation. Alle mogelijk bronnen van informatie (borden of servicemedewerkers) in Chinees, en dus voelde ik mij als een verwonderende, pasgeborene in een nieuwe wereld. Ik ben wel vaker de enige roodharige in gezelschap. Maar hier in een wereld van zwartharige spleetogen voelde ik me als zonderlinge westerling, een zwart schap in een duizend schapen tellende kudde. Tassen ging door detectiepoortjes. Ik zocht waar ik heen moest en vroeg dit aan een in oranje hesje geklede, niet Engels sprekende service medewerker. Met handgebaren en google translate en mijn treinkaartje begreep hij waar ik heen moest. Ik volgde hem voor tien minuten door gangen, trappen op trappen af, een lift in, omhoog, de lift uit. Verkeerd, terug door een gang ditmaal kleiner. Op muren Chinese tekens en overal bergen mensen. Uiteindelijk kwamen we in een grote hal met een enkele doorgang naar perrons elf tot en meer veertien. De doorgang was momenteel gesloten en verschafte alleen toegang dertig minuten voor vertrek van de trein.

Het was een aangename trein, met vriendelijk personeel en een verzorgd interieur. Voor ruim vierentwintig uur installeerde ik mij op mijn bedje en maakte kennis met mijn tijdelijke huisgenoten: een oudere man, vrouw en twee kinderen. Door onverklaarbare reden had ik door dat het meisje en jongetje niet hun kinderen waren en na holbewoner-communicatie bleken zij de oom en tante. Het is jammer dat een kind, naar mate hij ouder wordt zijn nieuwsgierigheid verliest. Ik zag hoe het jongetje op alle mogelijke manier mijn voor hem vreemd uitziende uiterlijk interessant vond en probeerde contact te maken. Vanuit dit oogpunt wandelde ik door de trein en ontdekte dat er een soortement restaurant aanwezig was, waar ik onder luid geblèr mijn maaltijd verorberde. Vreedzaam is het woord dat het beste past bij deze rit en de volgende dag kwam ik met een tevreden glimlach aan in die bizar grote stad. Welkom in Beijing.

 

Treinreis Hanoi -> Nanning 

1. Wc-rol

De trein sjokte terwijl dag plaatsmaakt voor nacht. Ik was op weg van Hanoi naar Nanning, een stoffige stad China dacht ik  waar oudheid bij elkaar wordt gehouden door één levensader:  een roestig spoor met aan weerzijden vervallen gebouwen, die het communiste uitademen als de laatste zucht van een hoogbejaarde. Het binnenrijden van een nieuwe trein in deze stad voelt, fantaseerde ik, als een hartslag; nieuw bloed, nieuw zuurstof in deze vervallen wereld. Maar mijn verwachting stond mijlen ver van de werkelijkheid. Tijdens het binnentreden van Nanning aanschouwde ik tien mintuten door het couperaam tientallen, zo niet honderden flatgebouwen, de een groter dan de ander. Sommige in aanbouw, maar allen toonden het tekenende beeld van deze in ontwikkeling zijnde wereldmacht.

Gisteravond nam ik onzeker plaats in mijn coupé. Vier bedjes vormen het domein van treinreizigers. Ik hoopte op een hobbelige, rustige nachtrust, maar kort na vertrek werd mij verteld, in gebrekkig Engels, dat er twee controles zouden zijn vanwege het overgaan van de grens met China. Rond twee uur werd er dwingend gebonsd, de Vietnamese douane in een eenzame nacht. Alles uit de trein, koffers en tassen gecontroleerd. Ik zag ze zelfs met lichten zoeken onder de treinstellen. Daarna slapen, maar tegen vijven werd er weer geklopt. Opnieuw moest alles uit de trein en controleerde Chinese douaniers paspoorten onder het toeziend oog van in legerkleding gehesen, boos kijkende mannetjes. Ik stond vooraan, maar aan de beurt bleek dat ik was vergeten een aankomtsformulier in te vullen – zo één als in het vliegtuig – en dus werd ik met een emotieloze blik en meedogenloze arm weggewezen.

We maken een spong dat kan als je schrijft, want ik wil mijn lezer niet zo lang laten wachten als ik moest doen. Veertig minuten later lag ik met oordoppen en een slaapmaskertje in mijn bedje. Ver weg hoorde ik de locomotief aldoor toeteren en in gemoedelijk cadans vond ik nachtrust. Heerlijk. Ik sliep als een roos, maar werd voor een derde maal gewerkt door luid geklop op de deur: we waren bijna bij Nanning werd mij verteld. Dank u. Ik keek uit het raam en zag wat ik eerder beschreef: flatgebouwen tot de horizon.

Nu zit in in een koffietentje in een shopping mall in Nanning, en ook hier stopt het avontuur niet. Ik voelde net de onstuitbare drang te moeten poepen; geen man over boord, dacht ik, ik ben immers in een wereldstad en dus liep ik naar de wc. Hier aangekomen een grootste ontdekking: geen wc-papier. Nog steeds geen zorgen, er zijn meerdere toiletten. Maar weer: geen afveegpapier, net als in alle wc’s. Verdomme wat nu? Ik liep terug naar mijn tas in de koffietent en haalde een verse closetrol tevoorschijn. Eerlijk gestolen voor het geval dat… en dus lieve lezen een tip van deze dolende geest:

Wees voorbereid als reiziger en steel een rol wc-papier, het liefst van een maat.
Dat vindt hij vast niet erg, zo lang je er maar eentje achterlaat.

Wordt vervolgd.

Vietnam en mijn vrienden

Opeens stonden zij in mijn nieuwe wereld. Mijn vrienden uit Haarlem kwamen mij bezoeken, dit was even hartverwarmend als bijzonder. Het proces tot een verankerde vriendschap te komen is traag en zet zich vast met verstrijken van tijd. Het cement der vriendschap fundeert langzaam. Liefde voor een vrouw daarentegen is explosiever, als een in de lucht geschoten vuurpijl; voor even is het leuk. Dit ontvlambare element duidelijk getoond in de fase van verliefdheid, die mannelijke vriendschappen niet kent. Ook de afwezigheid van fysieke aantrekkingskracht (al mag mijn lichamelijke passie voor Sander niet onder stoelen of banken geschoven worden) heeft zijn weerslag op een minder exotische beginfase. Maar het dieseltje eenmaal op gang is niet meer te stoppen, en zonder precies te weten hoe en wanneer is er een waardevolle kameraadschap ontstaan waar nauwelijks over wordt gesproken; dat voel je gewoon als man. Om diezelfde Sander te citeren: ‘Als ik had mogen kiezen, was ik homo geworden.’ Daar sluit ik me graag bij aan.

Daar staan ze, trots als een pauw met plastic tieten.

Het was speciaal hen in mijn nieuwe, verwarde reizende bestaan te treffen, alsof je een memorabele jeugdfilm jaren later weer ziet; vertrouwde elementen. Ondanks zij (net als ik eerder) nooit een motor hadden bestuurd, kochten ook zij een Honda Win; de motor van backpackend Vietnam. Het proces van aanschaf paste bij de karakters van de jongens. Haast was geboden dat moet gezegd. De één kocht impulsief, zonder afdingen het eerste exemplaar dat op zijn pad kwam. De andere keek meer de kat uit de boom, wist niet wat hij wilde en tuurde onzeker over het net. Op het laatste moment werd er één gevonden: goedkoop en in verregaande staat van ontbinding. Zijn motor verwond als een soldaat die tijdens D-day Normandie op is gekropen. Met: een rotte vering, scheefstaande voorvork, niet-werkende electronica en het zadel leek een spijkerbed. Kortom geen motor die je je beste vriend gunt en als ik had geweten dat we meer dan elfhonderd kilometer zouden rijden, had ik een andere aangeraden. Ik moest namelijk het proefritje maken. Maar, zoals gezegd haast was geboden. We hadden feitelijk geen keus dus ik zei na een gespannen ritje: ‘Prima motor, lijkt oud, maar rijdt als een ruwe diamant’, ik wees naar de los hangende draadjes ‘kijk, dit voortuig heeft echt karakter.’ Gelukkig was de motor honderdtwintig dollar, wat mijn dubieuze rol in de aanschaf van dit scheurijzer dragelijker maakte. Dus reden wij diezelfde dag als een Amerikaanse motorbende de drukke weg op, om drie weken over hemelse bergpassen te rijden, of door reisvelden waar met Vietnamese hoedjes gedragen vrouwtjes werkten. Ook ontdekten we dropjes waar kinderen joelend naar ons zwaaiden gezien onze zonderlinge verschijning. Het leek wel een film.

Klinkie’s Angels. Oorlogsverklaring met Hells Angels is al verklaard.

Veel backpackers rijden op motoren door Vietnam en negenenvijftig procent van hen valt. Statistisch was ik er zeker van dat minimaal één van ons zou vallen. Daarom offerde ik mijzelf op – ik had ook wat goed te maken tegenover Sander. Ik reed als een ongepolijste idioot in de hoop dat ik zou vallen, en niet zij. Op een mooie middag kwam mijn voorspelling uit. We reden over weergaloze bergpassen door een oogverblindend landschap. In gedachten sneed ik als Valentine Rossi de ene haarspeldbocht na de andere in. In één van de dorpjes, gelegen in een dal, gebeurde het. Een scooter kwam vanaf links de weg op rijden, eromheen scheuren was onmogelijk, een botsing onvermijdelijk. Ik remde en week uit, maar kon niet verhelpen dat mijn schouder de achterop zittende raakte. Ik zwenkte richting een berm, vloog vijf meter door de lucht en landde wonderlijk zacht in het gras. Een woede uitbarsting tot gevolg, wat mijn geschrokken makkers in een zenuwachtig lachen deed geraken. Ik was ongedeerd, maar mijn motor moest naar de xe “Benito” may.

Een verschrikte blik, mijn motor bij de garage. Ik was net gevallen.

Gelukkig zijn overal langs de weg garages te vinden. Je koopt in Vietnam geen motor die goed is, je koopt er één die het doet, en waarvan je mag smeken dat je de bestemming zonder al te veel oponthoud haalt. Van de negentien dagen dat wij een motor hadden, bezochten we er zeventien een garage (de overige twee dagen zaten we op een eiland en reden we niet). Altijd was er iets, soms klein soms groot, en het was vooral Wouters motor, rammelend als een gebit van een bejaarde, die van levensgevaarlijke kwaliteit was; Sanders’ barrel, onverwoestbaar als een marcheerde oorlogsveteraan. Tijdens de zwaarste rit in de bergen voelde Wout dat er iets met zijn rem was. ‘Maar het is vast niet erg’, zei hij lachend ‘wij rijden wel door.’ Maar Sander dacht daar anders over: ’Ga maar ff naar een xe may, ouwe gek.’ We gingen toch maar naar een garage. De monteur haalde vakkundig de remblokken eruit, en toen hij ontdekte dat de blokken van oudheid letterlijk uit elkaar vielen, keek hij met met grote pupillen zijn collega aan en barstte in lachen uit. ‘Bedankt Sander.’

Mooi hoor.

Wouter leek het een goed idee om de statistiek van negenenvijftig procent vallende backpackers te handhaven. Onze beestjes bromde een stijle helling op. Boven aangekomen ontdekten wij een buitenaards mooi landschap dat in mijn geheugen geprent staat. De afdaling, zelfs met nieuwe remblokken, was niet zonder gevaar en remmend daalden wij in als drie teelballen. Op een bepaald punt vond Wout het te langzaam gaan, hij dacht waarschijnlijk: ik heb nieuwe remblokken, wat kan mij gebeuren. Als een schansspringer glijdend van een berg schoot mij voorbij, ik dacht: wat doet hij nou? Weldra kwam dit besef ook bij de man zelf, maar het was te laat. Zijn nieuwe remblokken roodgloeiend, maar hij kon de bocht niet houden en als een stripfiguur hoteldebotelde hij in de berm. Gelukkig zonder al te veel kleerscheuren.

Drie vrienden op een Honda Win door Vietnam, het leek een jongensdroom. Ondanks extra eelt op zijn elegante bilpartij (nogmaals sorry voor de foto) hield Sander’ tweewieler bijzonder goed stand. Iedere keer als ik in mijn spiegel keek en zijn gestalte als een Hells Angel (ferme baard, leren jas) op de motor zag zitten, moest ik inwendig lachen. Woutje reed als een zelfverzekerde motormuis, met een stoer verband om zijn been. Hun nabijheid in mijn nieuwe wereld was van onschatbare waarde. Mijn reis waarvan ik een deel heb beleefd met mijn liefde en alleen, zal vanaf nu ook een deel van hen zijn, dat betekent veel voor me. Volgende keer gaan we op sneeuwscooters door de Noordpool rijden, daar zijn tenminste geen vervelende medeweggebruikers.

Ik hou van jullie.

Xm.

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

Visums regelen

Na de avontuurlijkheden in Mui Ne doe ik mijn eerste treinrit van Ho Chi Minh naar Hanoi. Daar aangekomen word ik op de late avond overvallen door een gemoedelijke chaos – complete waanzin. Op elk mogelijk manier worden zintuigen tot het maximale geprikkeld. Overal geluiden van brommers, geschreeuw of ander lawaai. Duizend en één geuren rammen als wilde stieren je reukorgaan binnen, het visuele als een constante stroom uit een Amerikaanse actie film, rust nooit geboden. In Hanoi is mijn voornaamste doel het verkrijgen van mijn visums voor China, Mongolië en Rusland. “Visums regelen” verder lezen

Live verslag uit Beijing: de Verboden Stad

Van 1 tot 8 oktober is het nationale feestweek in China. Reisorganisaties raden af naar Beijing te komen, omdat zo’n beetje iedere Chinees in de prachtige hoofdstad is. Maar feestweek of niet ik laat me niet tegenhouden en bezoek de Verboden Stad …

Het gaat beginnen

Lieve vrienden en familie,

Over iets meer dan vierentwintig uur begin ik, na het voorspel Ho Chi Minh – Hanoi, aan mijn treinreis richting Portugal. Morgen trein ik naar Beijing, daar verblijf ik tien dagen onder het feestgedruis van de Communistische Partij -er schijnt namelijk iets gaande te zijn, mijn hostel booking werd zonder waarschuwing geannuleerd. Daarna naar Ulan-Bator in Mongolië en het koude Omsk te Rusland. Ik heb voor Omsk gekozen omdat ene F. Dostoevsky – een naar het schijnt begenadigd schrijver – daar in exil heeft geleefd en geschreven. Misschien doe ik inspiratie op voor mijn eigen schrijverij. Ik eindig de trans Mongolië express in Moskou waar ik een aantal dagen verblijf om onder andere Lenin te bezichtigen. Dan mijn laatste tot zo ver gekochte treinticket naar Kiev, daar aangekomen ga ik eens rustig overdenken hoe in Portugal te geraken.

Ik zal, als er internet is, de komende tijd weer meer schrijven en posten, ik werd behoorlijk opgehouden door mijn twee vrienden. Ik hou wel van jullie.

Het ga jullie goed.

Xm.

Treinticket.

Voor Klink: ‘Pain and suffering are always inevitable for a large intelligence and a deep heart. The really great men must, I think, have great sadness on earth.’

F. Dostoevsky

Voor mijn vrienden

Het licht is rood, maar wordt door enkelen genegeerd, ze manoeuvreren zich door de samengepakte meute. Brommers overal. Nog tien seconden moeten we wachten, dat wordt aangegeven. De klok telt af. Sommigen zijn hun geduld niet langer de baas, ze accelereren. De tijd nadert het nulpunt, maar dit moment van einde betekent het begin voor tientallen brommertjes die nu nog stilstaan. Vijf seconden. Het gezoem dat als een zwerm bijen bromt, neemt al toe. Dan gebeurt het: groen. Zoemen maakt plaats voor als beren bulderend gebrom en neemt buiten proportiele geluidsvormen aan. Rubber rolt over het pokdalige wegdek, het gas opengedraaid, wind door de haren. Brommers bewegen soepel als gehakt uit een gehaktmolen door de zwijgzame, grauwe lucht. Als rijder op een Honda Win – de motor van Backpackend Vietnam – ben je onderdeel van het grotere geheel; een leger van zwarte stippen door de straten van besmeurd Hanoi. Koppelen links met je hand en schakelen doe je door je linkervoet omhoog te klikken. Een nieuwe versnelling, nieuwe acceleratie, nieuwe snelheid, nieuwe vervuilde wind door je haren. Het is geweldig vrienden.

Kijk niet vreemd, maar aanschouw als een verwonderd kind de vietnamees en zijn brommer. Na drie weken Nam word ik nog steeds verrast, soms door de kwantiteit van spullen, andere keren vanwege het aantal mensen dat wordt vervoerd; het record staat op vijf personen op één brommer. Nu rijdt al bellend met één hand aan het stuur een man voorbij, achterop zit zijn vrouw. Tot zover geen punt, maar mijn pupillen vergroten als ik tussen hen in twee kinderen, niet ouder dan drie en opgepropt als de witte vulling van een Oreo koekje, zie zitten. Ook mogelijk: een achterop zittende moeder draagt een baby die rustig slaap. De chaos lijkt het kwetsbare schepsel niets te doen, en een helm? Overbodig natuurlijk. Ook worden allerhande handelswaar vervoerd: meubilair, gevulde kippenhokken, tien cementzakken of rijdende bergen karton. Wanneer ik zo’n surrealistisch beeld, tegen een huishouden van Jan Steen-achtige achtergrond aanschouw, voeren gedachten mij huiswaarts. Daar passen dusdanige verschijningen niet binnen perken van de wet, jammer eigenlijk, het maakt het leven zo veel leuker. Aan de ander kant zouden wij er thuis gewend aan raken net als mensen hier. Er zou van verbazing niet langer sprake zijn. Spijtig: gewenning.

Mensen nemen het niet te nauw met (verkeer)regels. Op grotere wegen tussen steden zijn kruispunten waarop niet-kijkende verkeersdeelnemers hun koers confiskeren. Jij als motorrijden dient in zo’n geval van rijbaan te wisselen anders vormt zich een ongeluk. Het zijn vooral vrachtwagens die hier een handje van hebben, en het recht hebben ze, zij zijn immers de olifanten van de weg, dit is hun domein. Maar het meest gevaarlijk, of onberekenbaar, zijn maniakale busschaffeurs die luid toeterend rond walsen, zonder enig besef van medeweggebruikers, in het bijzonder zoemende motortjes. Wees dus gewaarschuwd lieve vrienden. Ik kan overigens niet wachten jullie in mijn armen te sluiten. Godverdomme. Ik snak naar live aanwezigheid en ik vind het eervol dat mijn makkers onderdeel worden van het knotsgekke toneelstuk dat momenteel mijn leven vormt.

Denk aan jullie.

PS. Nog één regel. Haal het niet in je hoofd een bananen – of watermeloenen blouse te kopen, of erger: te dragen. Onder de echte reizigers worden zij bestempeld als losers, als sukkels die denken de reizende heer in een kaartendek te zijn. Ze zijn nog niet eens de ruiten twee of joker; ze lopen voor joker, dat is wat ze doen.

Xm.

Nieuwe motor

Mag ik de wereld voorstellen aan mijn nieuwste aanwinst: een Honda Wing. Minimaal vijftien pk aan brute kracht, honderd cc en een topsnelheid honderdtwintig kilometer per uur, daar kan Bolt nog een flinke punt aan zuigen. En dit alles voor een schamele $ 260. Ik ben aan het overwegen om niet met de trein, maar met dit robuuste, onverwoestbare stuk staal huiswaarts te keren. Leuk door landen als Afghanistan en Pakistan, maar ik zal er nog eens een nachtje over slapen.

Xm.

1: Vluchten voor de Viet Cong; een ethisch dilemma

Deel één

Moet ik mezelf schrijfbeperkingen opleggen als ik fysiek bedreigd ben, als ik letterlijk moest vluchten omdat het risico te groot was? Dat is een vraag die mij de laatste tijd bezighield en dus vroeg ik raad aan mijn vrienden. Ik stuurde hen een bericht met de vraag: moet ik mezelf beperkingen opleggen als ik enige mate van rancune koester jegen deze of gene?

Vriend één: Niet ten koste van alles. Denk ik. Schrijf wat je wilt schrijven.
Ik: En als ik dat wil schrijven?
Vriend één: Over wie gaat het?
Ik: Die gast bij wie ik werkte.
Vriend twéé: Owww erop en erover!  Hakken tegen elkaar, en rechter hand omhoog. 

Nou, daar gaan we.

Hoe werkt zoiets? Je ontmoet iemande, er is het eerste oogcontact. Je geeft een hand en direct word je bevangen door een onbehaaglijk gevoel. Ik maakte kennis met hem bij een van de zwembaden op zijn hotelcomplex. Ik werkte er net een paar dagen en hij kwam terug van vakantie. Hij stelde zich voor als Jaap. Jaap de homo dacht ik meteen, ik kon er niets aan doen. Het was niet eens zijn poepbruine kop die mij niet aanstond of z’n zwart geverfde haar, aan de zijkant opgeschoren en bovenop van die stekeltjes die al jaren uit zijn. Het was iets anders. Als ik eraan terugdenkt was mijn oordeel eerder geveld. Ik kwam aanlopen en aanschouwde zijn lange gestalte van een afstand; direct hopte ik dat hij niet mijn baas zou zijn. Hij droeg een hemd en korte broek. Om zijn hals een ketting die erom vroeg om kapot getrokken te worden. Hij bewoog als een valse slang tussen de mensen die op dat moment een drankspel deden. Iets later schudde ik hem dus de hand. Weer kon ik er niets aan doen, maar ik dacht: waar zou die hand allemaal zijn geweest? Het waren vreselijke gedachten -helemaal voor mij. Zijn ogen keken mij indringend aan met daarboven wenkbrauwen hoog opgetrokken alsof hij aan de xtc zat. Dit, zo bleek later, was zijn neutrale expressie. Een gelaat als xtc9-trip. Twee, drie seconden keek ik in zijn ogen, toen wist ik het. Het was de holle ruimte achter zijn pupillen, een zwart gat zonder empathie, gevoel of enige mate van emotie die mij het meeste angst inboezemde. Angst, dat was het juiste woord. Dit was een heel vreemde snuiter, maar ik mocht niet te snel oordelen. Dat hoort niet.

Vriend twee antwoordde: Mike je moet kunnen schrijven wat je wilt.

De volgende dagen werd mijn vermoeden meer en meer bevestigd. Het was inderdaad mogelijk om aan xtc te komen en hijzelf was daar niet vies van; iets dat zijn geleemde porem, met diep doorleefde met groeven in zijn wangen al verraadde. Ook namen Jaap en zijn kleine vietnamese vriend op wilde avonden soms mensen mee naar hun kamer. Wat daar gebeurde, kunnen zij die er waren alleen navertellen. Het personeel, overwegend familie van de kleine Vietnamees verdiende honderdvijftig dollar per maand, mits zijn geen fouten maakten met bestellingen. ‘We kunnen natuurlijk niet voor iedere fout financieel opdraaien’ had de griezel gezegd. Voor de deur stond een pronkende, witte Audi Q7 met een doek erover. Niet om hun welvaart tegenover de werknemers te verdoezelen, maar tegen beschadiging van de lak. Het stel had hun villa – met zwembad natuurlijk – boven op het hotel had laten bouwen. Vanaf hun terras keken ze neer op de hardwerkende werknemers. En owja, ze waren bezig met de bouw van een nieuwe hotel met honderdzeventig bedden. Daarna was het eindelijk tijd voor een nieuwe villa. En de werknemers? Die sliepen allemaal in een gezamenlijke ruimte, hen allemaal een eigen kamer geven was onbetaalbaar. 

Er is meer.

Er was een voorbeeld dat me altijd bij zal blijven. Ik zag hoe het veertienjarige meisje onzeker naar de mannen in het zwembad keek. Er voltrok zich een proces van hofmakerij, flemen en flikflooien. Er werd gesparteld met water, gelachen en drank besteld -veel drank besteld. Ongegeneerd werden de drie Engelsen, vermoedelijk van hetzelfde soort, verleid met allerhande alcoholische versnaperingen. En steeds de zoekende blik van het veertienjarige meisje. Shotjes tequila en jägermeister, of buckets gin tonic werden door slaafse medewerkers als een oliepijpleiding constant aangevoerd als de kleine Vietnamees daarom vroeg. Hij droeg een minuscule zwembroek, het liefst was hij naakt. Ik zag hoe de twee bazen elkaar aankeken. Ze lachten. Dit was weer zo’n dag, het was raak. Weer raak en zonder gêne. Dit was toch hun complex, wie deed ze wat? Mijn ogen, net als die van de gasten, maar bovenal die van het veertienjarige meisje, aanschouwden hoe het gezelschap beschonken het zwembad uit klauterde, en door de lobby verdween. In hun villa ging even het licht aan. Het meisje van veertien keek vragend, angstig soms. Wat gebeurde daar toch, wat was haar bloedeigen vader aan het doen? Drie weken was zij aanwezig met een vriendinnetje, leuk naar papa helemaal in Vietnam. Maar papa is met andere dingen bezig. Natuurlijk kreeg zij alles, kon ze bestellen wat ze wilde. Dit was het paradijs waar zij mocht verblijven, maar eigenlijk wilde ze één ding: een kleine beetje liefde van haar vader.

Wordt vervolgd.

2. Vluchten voor de Viet Cong; een ethisch dilemma

Deel twee

Moet ik mezelf schrijfbeperkingen opleggen als ik fysiek bedreigd ben, als ik letterlijk moest vluchten omdat het risico te groot was? Dat is een vraag die mij de laatste tijd bezighield en dus vroeg ik raad aan mijn vrienden. Ik stuurde hen een bericht met de vraag: moet ik mezelf beperkingen opleggen als ik enige mate van rancune koester jegen deze of gene?

Vriend drie antwoordde toepasselijk: ‘Beperkingen zijn voor mongooltjes’, zoals mijn overgrootvader altijd al zei.

Dat het mis zou gaan tussen mij het Mui Ne Pills, het hotelcomplex waar ik werkte, voelde ik ergens wel aankomen. Hoe meer ik te weten kwam, hoe meer ik mij ging verzetten tegen het systeem. Ik had misschien niet die arme werknemers moeten betrekken, ik had gewoon aardig tegen hen moeten doen, maar dat lukte niet. Sorry. Ik dacht dat de bom zou ontploffen door een aanvaring met Jaap, de Belgische eigenaar van het hotel, een vreselijke eng nek. Ik was klaar voor de strijd. Toch ging het anders. Op een avond terwijl ik met gasten een drankspel speelde waren twee van de werknemers aan het tafelvoetballen. Er stond een derde bij en hij gaf mij een kapot pingpongballetje. Ik wist niet wat ik ermee moest, dus gooide ik het oranje voorwerp in de tafelvoetbaltafel. Hoe precies weet ik niet, maar dit was voor een van de twee werknemers de druppel. Hij kwam dreigend op mij af en wilde het gevecht aangaan, zo diep zat blijkbaar zijn haat. We hadden allemaal wat gedronken. Ik deed stappen achteruit en op dat moment kwam Viet Cong-strijder nummer twee, hij gaf mij een duw. Dit was het moment voor nummer één om een bierflesje te pakken en mij daarmee te lijf te willen.

Vriend vriend vier antwoordde: Ik vind zelf dat je je eigen schrijfbeperkingen oplegt wanneer je bedenkt wie je wilt zijn…

Gasten, die ook aanwezig waren, bemoeiden zich met de situatie en probeerden de boel te sussen. Ik liep op dat moment langs de bar verder weg van het gebeuren. Het rumoer bewoog zich nu ook langs de bar en een grote Welshmen, die vanaf het begin redding bood wilde een foto maken van een van de twee Viet Cong-strijders. Ik wist dat niet en zag van een afstand hoe opeens de hele groep naar achteren deinsde. Een foto leek de spleetoog geen goed idee en als reactie had hij een hakmes gepakt, waarmee hij op de Welshmen afliep. Dit was voor iedereen het absolute moment om de benen te nemen. Ik ging langs mijn kamer, pakte mijn waardevolle spullen en boekte een ander hostel. Het werd een met adrenaline vervulde nacht, toch sliep ik redelijk. De volgende dag pakte ik mijn overig spul, sloopte de airco en ging terug naar mijn veilige kamer. Daar belde ik met mijn liefdesbronnetje en toen bleek dat ik toch wel erg geschrokken was; weer huilde ik en haar lieve stem maande mij tot rust. Ik besloot de eerste bus richting Ho Chi Min te pakken. Terwijl Mui Ne achter mij verkleinde, werd ik meteen bevangen door ee vraag: hoe dien ik als schrijvende homo sapien hiermee om te gaan? Ik dacht lang na, maar wist één ding zeker: het zit niet in mijn aard mensen te beledigen. Ik schrijf alleen de waarheid.

Vriend vier antwoordde: Uhmm interessante vraag. Ik denk dat je jezelf dat moet afvragen.
Kijk: je kan kut schrijven over iemand omdat het belangrijk is voor het verhaal of boodschap, of je kan louter kut schrijven over iemand omdat t lekker voelt. Ik vind zelf dat je je eigen schrijfbeperkingen oplegt wanneer je bedenkt wie je wilt zijn…
Wil je iemand zijn die niet alleen maar negativiteit over mensen opschrijft.
En als je over mensen schrijft die je kent.
Denk dat je je moet afvragen of t waard is om iemand te kwetsen.
Probeer in ieder geval iets moois te bereiken ipv alleen maar bashen over shit.
Probeer de wereld mooier te maken met je verhalen, niet lelijker of haatdragender.
Ik: Dus ik zou eigenlijk vergevingsgezind moeten zijn?
Vriend vier: Stel jezelf de vraag: hoe kan ik het omzetten zodat het voor mij geen negatieve gevoelens opwekt. En dat is inderdaad vergevingsgezind zijn.
Anders bestrijd je narigheid met negativiteit.
Dat is menselijk, maar ook waarom de mens in de problemen komt.
En uiteindelijk ervaar jij negativiteit.
Ik: En als mijn stukkie bij veel mensen positieve werking gaat hebben?
Vriend vier: Als dat lukt met negativiteit vind ik dat knap.
Ik: Dan spreken we het volende af: onthoud dit gesprek en als je een positief gevoel krijg van mijn stukkie wanneer ik het post dan is mijn missie geslaagd.
Vriend vier: Deal.

Einde.