Nacht van arbeidt 2: perenplukken

Dus je krijgt een groot schort, (natuurlijk heb ik er een ontvreemd) een te zware, onhandelbare ladder en een bin ter grote van vier badkuipen. Je kan in je eentje perenplukken -wat veel Aziatische uitziende mensen doen- dan is de 33 dollar die krijgt per gevulde bin helemaal voor jou alleen of je bundelt de krachten, plukt met anderen, maar deelt in de opbrengsten.


Zonder te weten wat precies te doen kom ik eenzaam in de vroege, gure duisternis aan op de farm. Nadat ik mijn autootje heb geparkeerd loop ik naar de plek waar andere schimmen vragend staan te wachten. Enige mate van sociaal contact, hulpvaardigheid of een minimale verschaffing van informatie is ver te zoeken. Weer bekruipt mij een onaangenaam gevoel, dus ik vraag aan iemand die er uitziet alsof hij hier werkt: ‘What do I have to do?’

‘Get this’, zegt hij wijzend op een schort. ‘And wailt.’

Ik word aangesproken door een andere kerel. Hij vraagt mij waar ik vandaan kom.

‘From the Netherlands’, zeg ik in bovengemiddeld goed Engels.

‘That was what I was thinking, ik kom ook uit Nederland. Mijn naam is Maikel.’ Het is plezierig om in dit onrustige water een boei aangereikt te krijgen waar ik mij aan kan vastklampen, een op het eerste oog normaal iemand die op zijn minst enig mate van empathie vertoont en bereid is tot hulpvaardig gedrag. Een redding, een zege. Dank u god, denk ik op dat moment…

Ik trek de hele werkdag samen met deze uit Braboland afkomstige snuiter op en hij is zeker een factor geweest dat ik dit na kan vertellen; perenplukken is namelijk een hel. Iets doen onder dusdanige erbarmelijke omstandigheden heb ik nooit eerder in mijn leven meegemaakt en hoop ik nooit meer mee te maken. Ten eerste de ladder: die is nét iets te zwaar en nét iets te onhandelbaar zodat iedere verplaatsing een nét iets te irritante en energie vragende bezigheid is. Het goed positioneren van de minimaal drie meter lange driepoot is van essentieel belang, het doel is namelijk om zoveel mogelijk peren in een keer mee te nemen zodat je geen tijd verliest met het opnieuw verplaatsen van het ijzeren gevaarte. Met een onhandig vies ruikend schort klauter je omhoog en kan, met gevaar voor eigen leven, het daadwerkelijk perenplukken beginnen. Ook dit vereist een doordachte techniek. Een simpele trekbeweging, blijkt na enkele uren, is minder efficiënt en vraagt meer energie dan een korte, krachtige knikbeweging met draai. Na ongeveer honderddertig peren -ik heb geteld- en twintig kilo loden last om je nek is het schort vol en wankel je als een pasgeboren kuiken de ladder af om de lading vervolgens in de blauwe bak te gooien. De rand van de onmetelijke bin is nét iets te hoog waardoor je steeds de gehele lading op moet tillen en een hernia onvermijdelijk is. Dan (weer) de lader verplaatsen bij een nieuwe veel tellende perenbron en omhoog om vervolgens met twintig kilo zwoegend, zwetend en wankel -u begrijpt een handeling die ik makkelijk op een dag tachtig keer herhaal. Het is werkelijk een slopend proces waarbij ook steeds stukken ijzerdraad, die speciaal in de bomen zijn gehangen ter extra hindernis voor ons ‘de backpackers’ en lelijke wonden achterlaten. Maar er is één factor dat de door mij zojuist voortreffelijk omschreven arbeidt werkelijk tot een hel maakt: de hitte. Het kwik bereikt makkelijk vijfendertig plus. Enkel zittend onder een boom smekend om de nacht, breekt het zweet je als de Niagara Water Falls al uit.

Ik zou u graag willen vermelden hoeveel bins ik vulde, maar de warmte heeft mij hersens aangetast. Ik heb geen idee. Tot slot is er nog een klein puntje van irritatie: Maikel. Zijn louter goedlachse kanis en immer positieve gedrag had een paradoxale werking op mijn gemoedstoestand, en ik voelde de wrevel in mij toenemen naarmate ik meer tijd met deze lamzak doorbracht. Sinds mijn aankomst voelde ik mijn weerloze ziel dieper wegzakken in de duistere piramide van verdriet, wanhoop en eenzaamheid. Toch moest ik volhouden, gewoon volhouden.

-wordt vervolgd-


BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

Nacht van arbeidt 1: mevrouw Asbak

Door M.H. van der Putten

Daar lig ik snakkend en zwetend hopend op frisse lucht terwijl er tien meter verder auto’s voorbij brullen. Als dit is wat ze bedoelen met diep zitten tijdens een reis dan zit ik er middenin. Wat een klote zooi en bovenal: waarom, in godsnaam waarom?

Ik had mijn warme bourgeois huishouden in Melbourne achter mij gelaten en reed gisterochtend in de alles overheersende godvergete hitte, met mijn rijdende huisje richting Shepparton om daar farm work te gaan doen; enig besef waar ik terecht zou komen, was -zoals het een backpacker betaamt- nul. Na aankomst op de plek die de navigatie aangaf werd ik aanvankelijk blij verrast. Dit kwam met name door de vele hoeveelheid leeftijdsgenoten die als een roedel luierende zeeleeuwen rond de blauwe osase hun rust vonden; er was op deze camping een zwembad, een zegen. Hoopvol parkeerde ik mijn wagentje en liep richting the office. Ik stapte de verkoelde doch dampende ruime binnen die een vreemde mengeling tekende van woonkamer en kantoor. Direct rechts stond aan de ene kant een slonzig bureau, duidelijk was te zien dat alle administratieve handelingen handmatig en zonder computer voldaan werden. Aan de andere kant rustte een grijze hoekbank, met daarvoor een treurig grote tv. De gehele sfeer deed mij denken aan een woonwagen. Bevrijd van hitte werd ik verkoeld door de airco, heerlijk, maar de rookdampen die als een boze geest ronddwaalden deden mij van meet af aan snakken naar frisse lucht. Achter het bureau zat breed lachend en -hoe kon het ook anders- met een sigaret Celine, de baas van deze camping en, zo ontdekte ik later, tussenpersoon van farmers en weerloze backpackers.

Die eerste fractie van een seconden na de eerste ontmoeting zijn van fundamenteel belang voor de verdere relationele ontwikkelingen. Bij mij speelde direct toen ik haar de hand schudde één gedachte: dit is onpluis. Noem het een waterig onderbuikgevoel; iets niet in de haak. Hoe zij mij met haar grauwe verrimpelde huid en slinkse gruizige glimlach zat aan te grijzen, was een teken dat ik op mijn hoede moest zijn. Maar, al de tot nu gebeurde ontwikkelingen staan in schril contrast met het moment dat mevrouw Asbak begon te spreken. Een zware schoorsteenstem weerklonk en wekte het vermoeden dat deze deerne niet alleen drie pakjes sigaretten per dag rookte, maar ook de peuken op at en de asbak leeg likte. Ze kwam belangstellend over, probeerde aardig te doen, maar haar gedrag had een paradoxale werking op mijn gevoelige ziel. Na een lange conversatie waarin mevrouw Asbak de ene sigaret na de andere aanstak en aldoor sprak, kreeg ik eindelijk een plek toegewezen waar ik mijn Volkswagen busje neer kon zetten. Niet dat alles werd uitgelegd, nee: ‘Place twelve somewhere in between those trees’, en de deur werd dicht gedaan. Daar stond ik, terug in de alles verziekende oven. Doet u mij maar een pizza.

Had ik dit zelf verzonnen of was het een droom? Ik parkeerde mijn AI-33-AQ op de juiste plek en nam plaats op mijn klapstoel. Pas nu drong het werkelijk tot me door hoe warm het was en ik besloot die eerste avond geen boodschappen te doen, te heet. Ik had nog wat noodles en bananen, daar zou ik het morgen tijdens werk ook wel mee redden. Als diner kocht ik een snelle hap bij een vistent waar ik, tijdens het verorberen van mijn maaltijd vanuit de keuken een man hoorde schreeuwen tegen zijn lieve vrouw. Toen hij boos de keuken uit kwam lopen en mij zag, schrokken zijn ogen en hij liep met gebogen hoofd de winkel uit. Welkom in Shepparton. Later die avond zat ik als niet-passend puzzelstuk weer op mijn klapstoel, mijn oranje boekje-boekje en een pen in de aanslag. Ik wilde net beginnen met schrijven, maar er kwam iemand aangelopen die mij een briefje gaf. Ik keek erop en wilde vragen wat het was, maar haar silhouet verdween al in de duisternis. Dit zal wel het adres zijn waar ik morgen heen moet, dacht ik. Godverdomme, ik las 06:30 hour, dat zal niet in de avond zijn. Ik besloot maar mijn tanden te gaan poetsen en mij klaar te maken voor mijn eerste nacht in deze auto.

Liggend in mijn trouwe vierbander kwam ik tot de conclusie dat mijn plek twaalf niet meer dan tien meter van de openbare weg lag en enkel werd gescheiden door een heg. Om de luttele seconden raasde er een auto voorbij. Natuurlijk kon ik mijn schuifdeur dicht doen, maar de hitte maakte dat simpelweg onmogelijk. Ik besloot mijn deur op een kier te zetten en met mijn neus en lippen tegen de opening aan liggen om voldoende -kokende- zuurstof tot mij te kunnen nemen. Onderwijl raasden auto’s voorbij. Gelukkig had ik een fles goedkope Whisky gekocht; mijn eerste, en zo zou later blijken niet laatste redding. Morgen zou alles beter zijn, gewoon een kwestie van wennen, gewoon even wennen.

-Wordt vervolgd-
BewarenBewaren

BewarenBewaren

Vriendschap #1

49

Het ga je goed maat

Het duurt lang voordat de computer contact maakt met internet. Een verstofte fan hangend aan het plafond, draait al jaren zijn rondjes om backpackers in dit hostel te voorzien van minimalistische verkoeling. De simpele ruimte is gevuld met vier oude computers die staan op nog oudere tafels. Door gebarste ruiten rust als een decor een uitgestrekte jungle, de spin bouwt zijn web. In muizen waarmee honderden handen digitaal contact maakten met overzeese vrienden, familie en geliefden zorgt het rollende balletje voor pijlbewegingen op het vergeelde scherm. Hij zucht, “Vriendschap #1” verder lezen

Charlotte

Ja, ik zal mijn ogen open houden

Tussen grijze haren die als dobberende wolkjes op hoofden van de mensen rusten aanschouw ik haar. Alle oren in deze memorabele ruimte luisten naar gepraat van schrijver A.F.Th van der Heijden en diens schrijvende vrouw Mirjam Rotenstreich, beiden geïnterviewd door mijn leermeester. Alles in deze met door literatuur overladen ruimte ademt boeken en geschriften. Ik ben in De Kring een Amsterdamse sociteit waar kunstzinnig Nederland zich de afgelopen jaren heeft gelaafd aan diepgaande gesprekken, overmatig alcoholgebruik en bonkige knokpartijen, maar altijd de kust als hoogste goed. Toegang wordt verschaft middels een ledensysteem: als je lid bent mag je een aspirant King-lid uitnodigen. Vele schrijvers, wetenschappers en kunstminnend Nederland behoren tot deze naar elitair riekende schoonheid, en ik walg ervan -ook van de mensen die er momenteel zijn. Hautain word ik als wintertwintiger, terwijl vrijwel iedereen veertig of ouder is, aanschouwt. Als ik al word bekeken. Er hang een sfeer van eigengereide elite. De zelfingenomen walging druipt van de grauwe muren, maar godverdomme wat voel ik me thuis. Natuurlijk ben ik op uitnodiging van mijn leermeester en hij, mijn waardige vriend, ademt de sfeer, belichaamt de sfeer. Heerlijk. Bij het binnentreden zat hij geamuseerd te eten met dé schrijver, diens vrouw en anderen uit de literaire wereld.

Nadat ik beschuchterd plaats heb genomen, en haar ogen als nachtelijke fonteinen door m’n hersencellen flaneerden, hervind ik rust. Waar ben ik beland? Wie is zij? D’r opgestoken bruine haarpartij rust als een elegant schouwplel van weelderigheid op haar hoofd; een nietsontziende mix van nonchalance en zakelijkheid. Heel soms vangen mijn ogen de hare en ontdek ik een nieuwe wereld van twee bruine wondertjes. Naast deze pracht heeft zij als klap op een onweerstaanbare vuurpijl, een met door parfum doordrenkte stem gevuld met een flinke vleug aantrekkelijke kakkineusheid. We raken aan de praat en door alles wat mij de afgelopen tien minuten is overkomen voel ik me een vijftien jaar oudere waardige jonkheer. Ik vertel vanzelfsprekend over mijn reis en ze vraagt -natuurlijk- of ik wil schrijven en wat mijn dromen zijn. Na duizend keer te hebben gehoord hoe leuk het is wat ik ga doen, is zij, Charlotte, de eerste die nadenkt, mij aankijkt en zegt: ‘Zorg dat je kijkt, laat de indrukken over je heen komen en schrijf achteraf. Schrijf achteraf dat mooie verhaal, maar zorg als je blieft dat je herinneringen goed laat inwerken.’ Na deze woorden knipoogt ze, of verbeeld ik dit? Mij achterlatend in een damp van verwarring staat ze op en loopt weg. Het interview tussen de schrijvers en mijn leermeester begint. O ja dat is de reden dat ik hier ben.                                   De Kring, een locatie gevormd door het leven. Hier zaten onder andere Mulisch, Campert en Hofland ‘zuipie zuipie’ te doen, zoals laatstgenoemde altijd zei. En op deze plaatst ontmoet ik -als groene jonkheer- een adelachttige jonkvrouw in het paleis van de koning en krijg ik een veelbelovend advies; een tip hoe keizer van het schrijfpaleis te worden. Het enige wat ik kan doen is doorademen; al mijn zintuigen uitgeschakeld en geraakt in een lethargische toestand: even totale stilte.

Ik zit op de piano. Van het interview heb ik niets begrepen en dat geneuzel over die passage waarin stijlvol een schot wordt gelost kan mij evenmin bekoren. Terwijl ik haar tussen de oude velletjes door bekijk denk ik, ik kan dat toch beter. Op dat moment, dwalend in mijn droom natuurlijk want mijn hoofd ontploft van ideeen, de te nemen weg langs woorden en zinnen wordt dan al bepaald. Maar, godverdomme, ik moet wachten.

En zelfs als ik later thuis kom schrijf ik geen woord. Wachten moet ik, herinneringen als groot goed. Nu precies zes dagen laten zijn mijn gedachtes gerust. Nu doen wat dient te gebeuren: ik schrijf, ik schrijf voor Charlotte.
Dank.

Xm