Werp terug woensdag

Werp terug woensdag

Werp terug woensdag

Werp terug woensdag

Werp terug woensdag

Werp terug woensdag

De afgelopen weken, met de Jo

Ik ga je niet missen. Ik mis je al. En omdat ook jij deze filmpjes zo ongelofelijk kneuterig vindt, doe ik er nog eentje. 

Zie je snel. 

Ik ook van jou. 

bus 438; bestemming onbekend. Deel 2

Ik zit in bus 438; bestemming onbekend. Vanwege drukte heb ik plaatsgenomen op de invalideplek. Hier zittend ben ik waakzaam want als er een ouder iemand instapt moet ik opstaan, een niet onbelangrijke taak.

deel 2/2

Het voertuig remt, ik ontwaak uit mijn eedachten en er stapt een berg mensenvlees in. Opletten. Één langzaam bewegend, krom lopend wezentje met grijs haar en ik sta op. En ja, het is raak. Terwijl ik contact verlies met de klapstoel, vraag ik of hij wilt zitten. De bejaarde draait zich om, ik verstijf. Twee grauwe ogen kijken mij woest aan. Hij blijkt namelijk een zij, en het arme schepsel verkeert in de ontkenningsfase van het bejaardheidschap; een periculeus mensensoort waar geen bus mee bezeilen valt. Schichtig kijk ik rond of iemand mijn flater heeft waargenomen. Ik ben gespaard, tot ik een vent van middelbare leeftijd vals zie grinniken. Klootzak. Ik neem weer plaats, de rust keert weder, wielen draaien. Voor iedereen komt het onvermijdelijke moment dat tegen je u wordt gezegd, een eerste stap naar eindigheid, alle groene onschuld verdwenen. Vervolgens vloeit het leven rustig door totdat je een bril nodig hebt. Een bevestiging van iets waar je sinds het u-geval mee moet leven: het einde nabij. Het leven suddert door en opeens stap je als brildragende grijsaard een autobus in omdat je aambeienzalf, steunkousen of luiers moet kopen. Er is geen plek en je denkt rustig te kunnen staan tot een snotaap vraagt of u (!) wilt zitten; de dood als enige oplossing. Weer ontwaak ik uit mijn droom als de volgende halte nadert, en wéér willen veel mensen toetreden tot bus 438; bestemming onbekend. 

Ik aanschouw hoe arbeiders, studenten en ander voetvolk hun pasjes scannen en staanplekken veroveren. Zitten kan al lang niet meer. Plots vangt mijn oog iets waarvoor ik op deze aarde ben gezet: een spetter van een wijf. Haar blonde haar danst als een dravend paard rond haar lieve gezichtje. Twee parels van ogen, die er door god de heer persoonlijk met alle liefde en zorgvuldigheid zijn ingedrukt, maken verbinding met de mijne waarvan inmiddels de pupillen maximaal vergroot zijn om al dat moois te bekijken. Haar verschijning wordt extra kracht bijgezet door een vies, lelijk wijf dat pal achter haar waggelt. Zo’n vrouw-ding die zich niet schaamt om haar té korte haar te kleuren, u kent ze wel. Even ben ik uit het veld geslagen door dit contrast van hors catégorie. De chauffeur sommeert iedereen door te lopen, Ik besluit mijn sociale gedrag nader te bevestigen door op te staan en meer ruimte te creëren, maar vooral wil ik dat de wandelende bron van lust bij mij komt staan. Het lukt, ze verkeert niet alleen in mijn aura – dat inmiddels een explosie van kleuren is – maar ik kan haar voelen en ruiken; een aroma van rozenblaadjes gemengd met een parfum samengesteld uit de lekkerste vaginalesappen. Heerlijk. Ondertussen heeft de vrouwelijke karbonkel zich in mijn richting gewroet, klapt het stoeltje uit – tegen mijn scheen, dank u – en ploft als een rudimentaire verschijning der mens neer, hors categorie tot de tweede macht is een feit; ik seksueel gemarteld.

Langzamer dan ervoor trekt de bus op. Links: de heilige maagd Maria, rechts: reptielenhuid met wratten. Hier lust, daar last. Een tekenend beeld want juist als het rijtuig overvol zit, juist wanneer je in deze te drukke mini maatschappij rekening met elkaar moet te houden, juist op momenten dat samenwerking geboden is, besluit zo’n onding compromisloos te kiezen voor zichzelf en baatzuchtig te gaan zitten, en nog geïrriteerd ook! Juist lastpakken zijn ons normale mensen, in penibele situaties tot last, ze houden zich niet rustig. Ik voel mij terug in het vaderland, waar hetzelfde gebeurt met mensen die de maatschappij daar tot last zijn. Nee, ik heb het niet over stelende Marokkaantjes of onaangepaste moslims, maar juist over het blonde gif en alles wat daarmee samenhangt. Gevoed door wit gal heeft hij een plek veroverd in de politiek met zijn partijtje voor de vrijheid. Een groot deel van het Nederlandse electoraat heeft hij achter zich geschaard door een zwakke groep in de samenleving zwart te maken, weg te zetten als lastpakken. De hele beweging die als gezwel door onze maatschappij trekt heeft geen idee het destabiliserende kwaad, zelf een last te zijn: blinde vlek in optima forma. Het is dezelfde paradox als de instapper in de bus, die je zelf ooit was, geen plekje naast je gunt omdat je jouw ritje in vrijheid wilt voorzetten; vrijheid als hoogste goed, maar natuurlijk wel alleen voor jezelf. 

Buiten zijn gebouwen getransformeerd in wolkenkrabbers. Mensen lopen als mieren door elkaar. Ik voel hoe de engel mijn aura verlaat. Gaat ze uitstappen? Ze beweegt richting de deur – evenals ik. De koets remt af, ze scant haar vervoerbewijs. Fuck mijn pasje, waar is dat ding! De ruimte tussen ons wordt langzaam groter, als het veranderen van vloed in eb. Ruiken kan ik haar al niet meer. Leegte. Aha, het vervoersbewijs, te laat. Inmiddels staat er een meute vervelende mannen die mijn weg verspert. We staan stil, deuren openen, ze stapt uit en loopt weg. Ademloos blijf ik kijken. Bij de volgende halte stap ook ik uit en loop de ander kant op: bus 438 bestemming onbekend.

-Einde-

Nieuw: de afgelopen drie weken

Een hagel, vonkel nieuw idee, vers van de pers. In dit item toon ik aan de digitale wereld hoogtepunten, in (video) beeld van de laatste drie weken reizen met De Jo. Misschien wordt dit item een blijvertje, maar ik vrees het ergste. 

Juni 2017, lieve Kutty: weer terug in Sydney

Een slap klef handje. Ik houd niet van slappe, kleffe handjes. Dat geeft mij een gevoel alsof ik prut uit het putje van de gootsteen vis. Heel vies. Het is een Aziatisch vrouwtje en ik denk dat zij degene is die mij gaat ‘behandelen’, maar als ik de kleine kamer binnenloop blijkt anders. Een tweede Chinees-achtige dame kijkt mij emotieloos aan, ik voel direct dat dit niet het bevredigende onderonsje gaat worden waarop ik op voorhand had gehoopt. Ook zij stelt zich voor; weer een nat klef handje, godverdomme, die Chinezen toch altijd. Ik ga in de stoel zitten waar al zo veel, gruizige mannen, met bezwete bilnaden gevuld met tarrels als aangekoekte cement, voor mij in plaats hebben genomen. De verwennerij kan beginnen.

Anders dan in Nederland moet ik hier een bril op, ik denk om mijn ogen te beschermen tegen het felle licht of misschien tegen bloedvlekken. De twee vrouwen overleggen, ik voel mijn hartslag versnellen. Spoedig word ik onder handen genomen – ff behandeld zoals we dat in Haarlem noeme – door niet één maar twee Aziatische vrouwtjes. Dit kan wel eens een duur geintje worden. Terwijl ze voorbereidingen treffen – nee ze kleden zich niet uit – vraagt de een wat mijn probleem is. Ik leg uit dat de s-brug die in mijn wankele gebit huist, na het eten van een broodje salami heeft losgelaten. Ze bekijkt het pseudotandje dat ik haar heb gegeven en knikt begrijpend. De volgende ogenblikken laat ik mijzelf rustig repareren door deze vakkundige werklui en terwijl ik daar lig denk ik aan de afgelopen maanden.

Ik zie de rode vlaktes van de Outback als kangoeroes door mijn gedachten springen, of mooier: net voordat we in dat onmetelijke gebied een doprje binnenreden, en de zon al onderging, sprongen er twee kangoeroes tegen een oranje rood decor enkele tientallen meters naast ons rijdende busje mee. Prachtig. In de verte hoor ik de tandarts overleggen, en ik vraag of het zachter kan. Ik laat me weer lekker meevoeren door mijn eigen gedachtes. Ik zie honderden olijfbomen, tientallen gevulde kratten met door ons zelf geplukte olijfen. Phill, de boer, komt aanwaggelen, op zijn been zit een enrome wond. Een abces en het lijkt alsof zijn linkerbeen netjes wordt weggevreten door een bacterie. Naar het ziekenhuis gaat hij niet, er moet immers gewerkt worden. Werken en alles wat daarmee samenhangt: hij is de mantra van een Australische boer. Geen tijd voor geneugten, genot, laat staan vakantie. Er dient te worden gewertk en daarmee basta.

Voor ik het weet zijn de spleetogen klaar met de herstelwerkzaamheden en durf ik mijzelf weer te vertonen in het publieke domein. Nu maar hopen dat mijn tandje blijft zitten tot ik tenminste terug ben in Nederland, want een tandarts in Rusland – zo’n vodka drinkende slager – zie ik niet echt zitten.

Xm.