De klaploper en de directeur

Door M.H. van der Putten

De zon straalt als een kacheltje en blaadjes wiegen op een briesje. Twee jongetjes spelen met een bal, een meisje zingt wijsje op haar fiets. Misschien gaat ze wel naar haar vriendje, denkt de klaploper. Op zijn schouder zit Desiderius Jacobus, een groengele papegaai die knaagt op een nootje. De klaploper kijkt op zijn horloge terwijl hij de tijd al weet: kwart voor één, zijn tijd staat stil, net als zijn leven.
Plots wordt zijn toevoer tot zonnestralen verstoord door een gestalte dat vastberaden voor hem staat. Wanneer zijn ogen zijn gewend, ziet hij een aura van deftigheid, met een hoge hoed, wandelstok en snor.
‘Goedemiddag mijnheer’, spreekt de man statig ‘ik werk al jaren in dat enurme kantoor daarginder, ja de zaken gaan inderdaad furtreffelijk.’
Bij het uitspreken van die laatste woorden sluiten zijn ogen iets langer, alsof hij geniet van het woord voortreffelijk.
‘Het afgelopen jaar heeft mijn concern een grote winst geboekt, iets waar wij als bedrijf bijzonder trots op zijn. Het geld stroomt met de snelheid van een waterval binnen.’
Hij zuigt aan de sigaar en wisselt zijn blik van de klaploper naar Desiderius.
‘Nu is het zo dat wij met de raad van bestuur iedere dag in die kamer achter dat grote raam zitten, ziet u wel?’
De klaploper volgt de richting van de dikke vinger en ziet twee grote ramen waarvan er één openstaat. De rijkdom lijkt er als bloed van een open wond uit te vloeien.
‘U moest eens weten’, vervolgt het maatpak ‘hoeveel miljoentjes wij daar op jaarbasis binnen harken, het is gewoon ungelooflijk. We zijn zelfs begonnen met de aanschaf van kunst, want dat schijnt een stabiele investering te zijn in deze roerige tijden van economische instabiliteit.’
Hij snuift en trekt andermaal aan zijn sigaar.
‘Ik zal u vertellen, onze laatste aanschaf op een veiling in New York is een zeldzaam boek, een kostbaar meesterwerk van een beroemd schrijver die van de aardbodem lijkt te zijn verdwenen. Zijn naam is mij ontschoten, dat heb je wel eens, maar de titel weet ik: Yogurt, musclie en compensatie kiwi.’
Dan uit het niets krast Desiderius.
Kuttige klaplong in het kalifaat, Kaaalifaattt.’ 
De directeur schrikt en krabt aan zijn achterhoofd.
‘Let u vooral niet op Desiderius’, zegt de klaploper ‘ik heb hem leren allitereren, maar op de een of andere wijze gebruikt hij altijd vulgair taalgebruik.’
‘Tuberrrrculose taalgebruik in Twente’ klinkt luid. De papegaai voelt een aai over zijn kop. De klaploper vervolgt.
‘Dat boek is mij bekend, een literair pareltje. Maar, iets anders, om zoveel geld te verdienen werkt u vast heel hard?’
‘Hard werken, hard werken’, herpakt de directeur zich ‘werken is het ethos. Sterker: wie niet hard genoeg werkt, wordt er met de jaarlijkse ontslagronde uitgewerkt. Uit gewerkt roepen wij dan’, er verschijnt een grauwe lach ‘nee, even serieus, aan de ziekte van werkschuw hebben wij een broertje dood. Wie niet werkt wie niet wint, zeggen wij. En, u moest trouwens eens weten hoe mijn huis in Bloemsteede eruit ziet. Ja, want ik heb natuurlijk meerdere huizen, dat zult u begrijpen. Een appartement in Monaco, een woning in New York vlakbij Central Park en ow ja, een vrijstaande villa in Sydney. Het zijn stuk voor stuk juweeltjes, gelooft u mij. Het is alleen jammer dat ik weinig tijd heb om er te wonen, druk, druk, druk.’
Even bespeurt de klaploper een vlaag van schaamte in de houding van de directeur, maar dat vermoeden wordt tenietgedaan als hij verdergaat.
‘Enfin, Ik heb trouwens ook prachtige bolides. Werkelijk, de een mooier dan de ander. Mijn favoriet is de Rolls Royce. Wanneer ik een zakenbespreking heb en kom voorrijden met die wagen, dan sta ik al met één nul voor. Nouja, ikzelf kom natuurlijk niet voorrijden dat doet mijn chauffeur. Heerlijk, iemand die mij overal heenbrengt, kan ik op de achterbank werken, dat is efficiëntie in heugste slag.’
De klaploper zou willen vragen of de directeur het niet spijtig vindt dat hij zelf niet rondrijdt in die auto’s, maar de directeur is hem voor.
‘Maar zeg hé, troubadour. Ik ben niet hierheen gekomen om over mijn eigen leven te oreren’, er verschijnt een glinstering over zijn gezicht  ‘nee zeg, ben je mal. Ik kom voor het volgende. Zoals gezegd kijken wij vanuit het kantoor over dit parkje en wat schetst iedere dag weer onze verbazing: jij.’
Hij wijst met zijn stok omlaag.
‘Altijd zit jij met die vogel tegen deze boom te lummelen dus wij dachten: moeten wij die knaap niet eens stimuleren om de handjes uit de mouwen te steken. Hup moeten wij niet aan het werk, schavuit?’
Zelfgenoegzaam tuurt de directeur met zijn slangenleren schoenen naar beneden.
‘Ik heb geen werk’ prevelt de klaploper.
‘Werkeloze wajongtrekker. Werkeloze wajongtrekker’ krast de papegaai.
‘En… hoe houdt u zich in leven?’
De klaploper twijfelt.
‘Om eerlijk te zijn voed ik mij met het voedsel dat uw kantoor dagelijks weggooit.’
Er valt een pregnante stilte, een hond snuffelt in bosjes en begint te blaffen.
‘U moest eens weten’, vervolgt de klaploper ‘wat uw kantoor allemaal voor lekkernijen van de hand doet. Het is bijna zonde, maar u hoort mij niet klagen.’
De directeur gooit zijn sigaar weg en leunt op zijn wandelstok.
‘Goed, goed. Juist ja. Het is bewust beleid van mijn bedrijf om wat over te houden voor de armen.’
‘O, maar meneer ik ben absoluut niet arm’, riposteert de klaploper ‘ik hoop niet dat u een verkeerde indruk van mij hebt, maar als ik op deze wijze aan al die lekkernijen kan komen, waarom zou ik dan anders doen?’
De directeur spits zijn oren.
‘U bent niet arm, zei u?’
De klaploper kijkt hem recht aan alsof hij tot hem is doorgedrongen.
‘Klopt. Ik heb zelfs een vrij groot geldbedrag op mijn rekening staan. Het is alleen’, hij kijkt om zich heen en spreek zacht ‘ik ben mijn pinpas verloren.’
‘Pokdalige, pedofiel met pinpas. Pokdalige pedofiel met pinpas.’
‘Rustig maar’ aait de klaploper, hij geeft Desiderius nog een nootje.
‘Uw pinpas verloren’ stamelt de directeur.
‘Zeker, en nogmaals zolang ik iets niet nodig heb, waarom zou ik het dan willen hebben?’
De snor van de directeur trilt van verbazing, maar hij herpakt zich.
‘Mag ik u vragen waar u uw dagen mee vult?’
‘Zeker, vragen staat immers vrij. Ik doe voornamelijk niets. Ik wandel wat door dit park of de stad, maar het leeuwendeel van mijn tijd zit ik hier en geniet ik van het leven, mijn papegaai, de zon en mensen.
De mond van de directeur is open gaan staan, zijn lippen verbonden door een draadje speeksel.
‘U, u, dus… Dus u doet feitelijk helemaal niets?’
‘Dat is correct en tevens juist als de goedheid van Moeder Theresa. Maar, mag ik u een wedervraag stellen, mijnheer?’
De directeur knikt.
‘Bent ú gelukkig?’
De directeur snuift.  Een frons als een bergrug vormt op zijn voorhoofd.
‘Of ik gelukkig ben’, zegt hij met verheven stem ‘natuurlijk ben ik gelukkig. Ik heb prachtige panden, miljoenen op de bank en een beeldschone vrouw.’
‘Dat vroeg ik niet’, valt de klaploper in de reden ‘ik vroeg of u gelukkig was, niet waarom u gelukkig zou moeten zijn.’
De directeur kijkt hem vragend aan.
‘U denkt dat u vanwege uw kostbaarheden en rijkdom gelukkig bent, maar zo werkt geluk niet. Geluk is niet het kortstondige gevoel dat je krijgt wanneer je iets nieuws koopt, het is intrinsiek en substantieel, een soort muziekdoosje dat vrolijk door een leven twinkelt.’
‘Ho, wacht even’, valt de directeur hem in de reden ‘mag ik u wat vragen eer u verder spreekt.’
‘Natuurlijk.’
‘Ik vind dit allemaal vrij ver gaan, met dat geluk enzo. Ik ben het dan ook oneens met uw redenering en ik zal het bewijzen. Wij met de raad zien u hier altijd lummelen. En wij denken heus niet alleen aan onszelf. Wij proberen goed te doen voor de wereld en hebben besloten u te helpen.’
‘Mij helpen… interessant.’
‘Zeker, luister goed. Dit is een eenmalige aanbieding, daarna zullen onze wegen scheiden als Moses de zee spleet. Wij van de raad willen u iets aanbieden. U mag een wens doen en wij zullen die in vervulling laten gaan. Het mag alles zijn geld, boten, zelfs een huis. En dan zult u zien hoe geluk echt werkt.’
‘Dus ik mag alles wensen om mijn geluk te vergroten?’
De directeur vouwt zijn armen over elkaar.
‘Alles wat binnen onze macht ligt.’
‘Dan zou ik u willen vragen twee stappen opzij te doen zodat ik weer in de zon kan zitten.’
‘Wat’, het lichaam van de directeur verstijft ‘wat, wat zegt u nu?’
‘Of u opzij kan gaan, u staat in de zon.’
Zonder iets te zeggen draait de directeur zich om en loopt met grote passen weg. Maar voordat hij helemaal weg is roept de klaploper nog iets na.
‘De schrijver van het boek Yogurt, musclie en compensatie kiwi heet K.L.A.P de Loper en hij groet u bij deze. Het was aangenaam kennis met u te maken.’

Einde.

Dit verhaal is gebaseerd op een ontmoeting tussen Diogenes en Alexander de Grote.