2. Omsk: diarree, Dostoevsky, militairen

Militairen met hun worst

De militaire jongens zijn verdwenen, spanning van de fles. Ik vond ze niet irritant en natuurlijk waren ze meer dan welkom, maar ik heb diarree als de Niagara waterfalls. Er lijkt een aambeeld in mijn buik te zitten, een alles ophoudende stuwdam. De behoefte aan rectale ontluchting tot grote hoogte gestegen, evenals angst voor sfeerverlagende, stinkende scheten. Gelukkig hield mijn buik zich, ze merkten niets. Ik kijk naar mijn bedje. Dit enige, voor mij, stukje privédomein van den treinreiziger, moest ik deze reis vaker dan me lief was delen. In een cabine zijn twee hoge – en twee lage bedden. De onderste zijn prettiger omdat je beter kunt zitten en een tafeltje hebt. Vaak lagen de twee legerjongens, waarvan er één met mij op de foto wilde, rustig op hun bovenbedden te slapen. Maar liggen wordt na uren saai, dat begrijp ik en dus kwamen ze soms omlaag om hun benen te strekken of te eten.
Automatisch maakte ik ruimte om hen te laten zitten, ik ben een sociale jongen, helemaal toen ik zag hoe die ene met mijn mes speelde. “2. Omsk: diarree, Dostoevsky, militairen” verder lezen

Beijing: lachen met vooroordelen

Mijn grote en kleine rugzak, en een plastic tasje met nep Pringles, noodles, oploskoffie en een fles water staan naast me; dit is alles wat ik heb, een heerlijk gevoel. Ik zit in wachtruimte één op het Centraal Station te Beijing. Tien dagen geleden kwam ik aan in deze wereldstad gevoed met vooroordelen. Goed, ik ben er inmiddels achter: ze spugen op straat nadat ze eerst duidelijk hoorbaar rochelen en soms klonk dat zo onuitstaanbaar dat ik inwendig kokhalsde. Ook aan het luidruchtig smekken en smakken – in stille ruimtes – kon ik niet wennen, een hoge mate van irritatie tot gevolg. Maar ik temde mijzelf, altijd weer, want wanneer voor westerse normen een gewoonte onsmakelijk klinkt, betekent niet dat smekken en smakken (met speeksel en geprakt eten zichtbaar op de onderlip) als een op hol geslagen lama, onsmakelijk is. En terwijl ik op mijn handen zat om niet tot fysiek geweld over te gaan, bedacht ik: hier is duidelijk sprake van een door cultuur bepaald verschil in opvattingen omtrent het produceren van smekgeluiden en daar dien ik als open mind, en wereldreiziger, luchtig en ontspannen mee om te gaan. Maar godverdomme wat had ik die smekkende smakker graag op zijn bek willen timmeren. “Beijing: lachen met vooroordelen” verder lezen

Vietnam en mijn vrienden

Opeens stonden zij in mijn nieuwe wereld. Mijn vrienden uit Haarlem kwamen mij bezoeken, dit was even hartverwarmend als bijzonder. Het proces tot een verankerde vriendschap te komen is traag en zet zich vast met verstrijken van tijd. Het cement der vriendschap fundeert langzaam. Liefde voor een vrouw daarentegen is explosiever, als een in de lucht geschoten vuurpijl; voor even is het leuk. Dit ontvlambare element duidelijk getoond in de fase van verliefdheid, die mannelijke vriendschappen niet kent. Ook de afwezigheid van fysieke aantrekkingskracht (al mag mijn lichamelijke passie voor Sander niet onder stoelen of banken geschoven worden) heeft zijn weerslag op een minder exotische beginfase. Maar het dieseltje eenmaal op gang is niet meer te stoppen, en zonder precies te weten hoe en wanneer is er een waardevolle kameraadschap ontstaan waar nauwelijks over wordt gesproken; dat voel je gewoon als man. Om diezelfde Sander te citeren: ‘Als ik had mogen kiezen, was ik homo geworden.’ Daar sluit ik me graag bij aan.

Daar staan ze, trots als een pauw met plastic tieten.

Het was speciaal hen in mijn nieuwe, verwarde reizende bestaan te treffen, alsof je een memorabele jeugdfilm jaren later weer ziet; vertrouwde elementen. Ondanks zij (net als ik eerder) nooit een motor hadden bestuurd, kochten ook zij een Honda Win; de motor van backpackend Vietnam. Het proces van aanschaf paste bij de karakters van de jongens. Haast was geboden dat moet gezegd. De één kocht impulsief, zonder afdingen het eerste exemplaar dat op zijn pad kwam. De andere keek meer de kat uit de boom, wist niet wat hij wilde en tuurde onzeker over het net. Op het laatste moment werd er één gevonden: goedkoop en in verregaande staat van ontbinding. Zijn motor verwond als een soldaat die tijdens D-day Normandie op is gekropen. Met: een rotte vering, scheefstaande voorvork, niet-werkende electronica en het zadel leek een spijkerbed. Kortom geen motor die je je beste vriend gunt en als ik had geweten dat we meer dan elfhonderd kilometer zouden rijden, had ik een andere aangeraden. Ik moest namelijk het proefritje maken. Maar, zoals gezegd haast was geboden. We hadden feitelijk geen keus dus ik zei na een gespannen ritje: ‘Prima motor, lijkt oud, maar rijdt als een ruwe diamant’, ik wees naar de los hangende draadjes ‘kijk, dit voortuig heeft echt karakter.’ Gelukkig was de motor honderdtwintig dollar, wat mijn dubieuze rol in de aanschaf van dit scheurijzer dragelijker maakte. Dus reden wij diezelfde dag als een Amerikaanse motorbende de drukke weg op, om drie weken over hemelse bergpassen te rijden, of door reisvelden waar met Vietnamese hoedjes gedragen vrouwtjes werkten. Ook ontdekten we dropjes waar kinderen joelend naar ons zwaaiden gezien onze zonderlinge verschijning. Het leek wel een film.

Klinkie’s Angels. Oorlogsverklaring met Hells Angels is al verklaard.

Veel backpackers rijden op motoren door Vietnam en negenenvijftig procent van hen valt. Statistisch was ik er zeker van dat minimaal één van ons zou vallen. Daarom offerde ik mijzelf op – ik had ook wat goed te maken tegenover Sander. Ik reed als een ongepolijste idioot in de hoop dat ik zou vallen, en niet zij. Op een mooie middag kwam mijn voorspelling uit. We reden over weergaloze bergpassen door een oogverblindend landschap. In gedachten sneed ik als Valentine Rossi de ene haarspeldbocht na de andere in. In één van de dorpjes, gelegen in een dal, gebeurde het. Een scooter kwam vanaf links de weg op rijden, eromheen scheuren was onmogelijk, een botsing onvermijdelijk. Ik remde en week uit, maar kon niet verhelpen dat mijn schouder de achterop zittende raakte. Ik zwenkte richting een berm, vloog vijf meter door de lucht en landde wonderlijk zacht in het gras. Een woede uitbarsting tot gevolg, wat mijn geschrokken makkers in een zenuwachtig lachen deed geraken. Ik was ongedeerd, maar mijn motor moest naar de xe “Benito” may.

Een verschrikte blik, mijn motor bij de garage. Ik was net gevallen.

Gelukkig zijn overal langs de weg garages te vinden. Je koopt in Vietnam geen motor die goed is, je koopt er één die het doet, en waarvan je mag smeken dat je de bestemming zonder al te veel oponthoud haalt. Van de negentien dagen dat wij een motor hadden, bezochten we er zeventien een garage (de overige twee dagen zaten we op een eiland en reden we niet). Altijd was er iets, soms klein soms groot, en het was vooral Wouters motor, rammelend als een gebit van een bejaarde, die van levensgevaarlijke kwaliteit was; Sanders’ barrel, onverwoestbaar als een marcheerde oorlogsveteraan. Tijdens de zwaarste rit in de bergen voelde Wout dat er iets met zijn rem was. ‘Maar het is vast niet erg’, zei hij lachend ‘wij rijden wel door.’ Maar Sander dacht daar anders over: ’Ga maar ff naar een xe may, ouwe gek.’ We gingen toch maar naar een garage. De monteur haalde vakkundig de remblokken eruit, en toen hij ontdekte dat de blokken van oudheid letterlijk uit elkaar vielen, keek hij met met grote pupillen zijn collega aan en barstte in lachen uit. ‘Bedankt Sander.’

Mooi hoor.

Wouter leek het een goed idee om de statistiek van negenenvijftig procent vallende backpackers te handhaven. Onze beestjes bromde een stijle helling op. Boven aangekomen ontdekten wij een buitenaards mooi landschap dat in mijn geheugen geprent staat. De afdaling, zelfs met nieuwe remblokken, was niet zonder gevaar en remmend daalden wij in als drie teelballen. Op een bepaald punt vond Wout het te langzaam gaan, hij dacht waarschijnlijk: ik heb nieuwe remblokken, wat kan mij gebeuren. Als een schansspringer glijdend van een berg schoot mij voorbij, ik dacht: wat doet hij nou? Weldra kwam dit besef ook bij de man zelf, maar het was te laat. Zijn nieuwe remblokken roodgloeiend, maar hij kon de bocht niet houden en als een stripfiguur hoteldebotelde hij in de berm. Gelukkig zonder al te veel kleerscheuren.

Drie vrienden op een Honda Win door Vietnam, het leek een jongensdroom. Ondanks extra eelt op zijn elegante bilpartij (nogmaals sorry voor de foto) hield Sander’ tweewieler bijzonder goed stand. Iedere keer als ik in mijn spiegel keek en zijn gestalte als een Hells Angel (ferme baard, leren jas) op de motor zag zitten, moest ik inwendig lachen. Woutje reed als een zelfverzekerde motormuis, met een stoer verband om zijn been. Hun nabijheid in mijn nieuwe wereld was van onschatbare waarde. Mijn reis waarvan ik een deel heb beleefd met mijn liefde en alleen, zal vanaf nu ook een deel van hen zijn, dat betekent veel voor me. Volgende keer gaan we op sneeuwscooters door de Noordpool rijden, daar zijn tenminste geen vervelende medeweggebruikers.

Ik hou van jullie.

Xm.

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

Live verslag uit Beijing: de Verboden Stad

Van 1 tot 8 oktober is het nationale feestweek in China. Reisorganisaties raden af naar Beijing te komen, omdat zo’n beetje iedere Chinees in de prachtige hoofdstad is. Maar feestweek of niet ik laat me niet tegenhouden en bezoek de Verboden Stad …

Vrij recente Werp Terug Woensdag: gewoon wat unieke beelden geschoten op mijn motor met een heerlijk liedje eronder

Voor mijn vrienden

Het licht is rood, maar wordt door enkelen genegeerd, ze manoeuvreren zich door de samengepakte meute. Brommers overal. Nog tien seconden moeten we wachten, dat wordt aangegeven. De klok telt af. Sommigen zijn hun geduld niet langer de baas, ze accelereren. De tijd nadert het nulpunt, maar dit moment van einde betekent het begin voor tientallen brommertjes die nu nog stilstaan. Vijf seconden. Het gezoem dat als een zwerm bijen bromt, neemt al toe. Dan gebeurt het: groen. Zoemen maakt plaats voor als beren bulderend gebrom en neemt buiten proportiele geluidsvormen aan. Rubber rolt over het pokdalige wegdek, het gas opengedraaid, wind door de haren. Brommers bewegen soepel als gehakt uit een gehaktmolen door de zwijgzame, grauwe lucht. Als rijder op een Honda Win – de motor van Backpackend Vietnam – ben je onderdeel van het grotere geheel; een leger van zwarte stippen door de straten van besmeurd Hanoi. Koppelen links met je hand en schakelen doe je door je linkervoet omhoog te klikken. Een nieuwe versnelling, nieuwe acceleratie, nieuwe snelheid, nieuwe vervuilde wind door je haren. Het is geweldig vrienden.

Kijk niet vreemd, maar aanschouw als een verwonderd kind de vietnamees en zijn brommer. Na drie weken Nam word ik nog steeds verrast, soms door de kwantiteit van spullen, andere keren vanwege het aantal mensen dat wordt vervoerd; het record staat op vijf personen op één brommer. Nu rijdt al bellend met één hand aan het stuur een man voorbij, achterop zit zijn vrouw. Tot zover geen punt, maar mijn pupillen vergroten als ik tussen hen in twee kinderen, niet ouder dan drie en opgepropt als de witte vulling van een Oreo koekje, zie zitten. Ook mogelijk: een achterop zittende moeder draagt een baby die rustig slaap. De chaos lijkt het kwetsbare schepsel niets te doen, en een helm? Overbodig natuurlijk. Ook worden allerhande handelswaar vervoerd: meubilair, gevulde kippenhokken, tien cementzakken of rijdende bergen karton. Wanneer ik zo’n surrealistisch beeld, tegen een huishouden van Jan Steen-achtige achtergrond aanschouw, voeren gedachten mij huiswaarts. Daar passen dusdanige verschijningen niet binnen perken van de wet, jammer eigenlijk, het maakt het leven zo veel leuker. Aan de ander kant zouden wij er thuis gewend aan raken net als mensen hier. Er zou van verbazing niet langer sprake zijn. Spijtig: gewenning.

Mensen nemen het niet te nauw met (verkeer)regels. Op grotere wegen tussen steden zijn kruispunten waarop niet-kijkende verkeersdeelnemers hun koers confiskeren. Jij als motorrijden dient in zo’n geval van rijbaan te wisselen anders vormt zich een ongeluk. Het zijn vooral vrachtwagens die hier een handje van hebben, en het recht hebben ze, zij zijn immers de olifanten van de weg, dit is hun domein. Maar het meest gevaarlijk, of onberekenbaar, zijn maniakale busschaffeurs die luid toeterend rond walsen, zonder enig besef van medeweggebruikers, in het bijzonder zoemende motortjes. Wees dus gewaarschuwd lieve vrienden. Ik kan overigens niet wachten jullie in mijn armen te sluiten. Godverdomme. Ik snak naar live aanwezigheid en ik vind het eervol dat mijn makkers onderdeel worden van het knotsgekke toneelstuk dat momenteel mijn leven vormt.

Denk aan jullie.

PS. Nog één regel. Haal het niet in je hoofd een bananen – of watermeloenen blouse te kopen, of erger: te dragen. Onder de echte reizigers worden zij bestempeld als losers, als sukkels die denken de reizende heer in een kaartendek te zijn. Ze zijn nog niet eens de ruiten twee of joker; ze lopen voor joker, dat is wat ze doen.

Xm.

Bedbugs

Ze gooit een zakdoekje op tafel en vouwt het open. Ik zie een klein rood vlekje. ‘Dat is bloed van een beestje,’ zegt ze verwachtingsvol, en omdat de te lange stilte haar niet bevalt vervolgt ze: ‘Dat is een bedbug. Ik ga niet meer in die kamer slapen.’

Vier dagen werk ik in Hotel Mui Ne Hills. Een totaal nieuwe wereld en ervaring. Nooit werkte ik op deze manier in de horeca – ook niet op andere manieren, maar dit terzijde. Het is ook de eerste keer dat ik zo veel verschillende mensen ontmoet in een dusdanig korte tijd. De wijze van sociaal contact dat ik heb met klanten is als het wegschieten van een elastiek: makkelijk en voor je het weet is het weg. Oppervlakkigheid als norm. ‘Hoe lang reis je en waar ga je heen?’ zijn standaard vragen. Evenals het antwoord. Iedere reiziger denkt iets uniek te doen, maar van anders is geen enkele sprake. We volgen. Soms vind ik de conversaties moeilijk, want enige mate van diepte is alleen in het zwembad te vinden.

Ik had ze al meteen na aankomst gespot en zoals het een waardig waard betaamt had ik een praatje aangeknoopt. Los van de grote verrassing dat deze twee totaal verschillende Eindhovense meiden zussen bleken, zou je denken dat het prima dames waren. Goed, een zachte g, maar dat neem je voor lief. Een eerste teken van onheil ontstond na de eerste nacht. Toen ik het als ‘aanspreekpunt’ aan moest horen. Ik knikte begripvol. ‘Natuurlijk is het vervelend’, ‘ik zal kijken wat ik kan doen,’ maar mijn gedachten vulden zich met een glimlach.

Die eerste nacht had een dronken Chinees – of iets dergelijks – zich toegang weten te verschaffen tot het balkon van de Nederlandse zussen, waarschijnlijk in de veronderstelling dat het zijn eigen kamer was. Na geluid op het balkon is een van de meiden gaan kijken en voor ze het wist stond ze oog in oog met haar ‘belager’. Enkel glas bood veiligheid. Toch verdween de man weer snel, maar de schrik was groot. Ze deed geen oog meer dicht. Stel je voor, wat er had kunnen gebeuren. De volgende dag deden de kuikens uit het veilige Nederland hun beklag bij de baas. Hun eis: een gratis nacht.

Ik kon live aanwezig zijn bij het gesprek tussen Jut & Jul en eigenaar Erik, een Belg die hier een hostel heeft. Ook hij raakte na luttele minuten vermoeid door het op zeurderig toon uitgebrachte gewauwel; als een kind dat een snoepje wilt. Het gesprek zou drie uur duren. Voor mij een feest, wanhoop aan beide kanten. Uiteindelijk werd de boel gesust met een wijntje, die ik uiteindelijk op moest drinken omdat ze pijn in hun buik hadden. Ze gingen vroeg naar bed.

Eerder diezelfde dag arriveerden twee Nederlandse binkies. Aan hun accent te horen kwamen ook zij uit het zuiden, maar ze woonden in Amsterdam. De lange dunne was een opvallende subject gezien zijn constante veel te brede grijns. Hij lachte het leven toe en vond alles grappig. De ander: cynisch en gereserveerd, hetgeen mij niets verbaast als je met zo’n extroverte clown op pad bent. Toen het diplomatieke topoverleg tussen Banki ‘Erik’ Moon en de twee gezusters was beëindigd, kwamen de nieuwe jongens aanschuiven, misschien ook een reden voor de dames om direct op te stappen. Plezier? Niet op reis. Maar al snel zouden zij zich weer van zich laten horen.

En daar staat ze. Ze gooit het doekje op de tafel: ‘Kijk, ik ving een beestje en kneep het dood. Dat is bloed.’ Godzijdank geen menstruatiebloed, denk ik nog. Ze kijkt me aan alsof ik haar probleem moét oplossen. Haar stem huilt als een doedelzak in mijn kop. Ik haat doedelzakken.
‘Eerst moet ik jouw wijn opdrinken,’ zeg ik. ‘En nu dit. Dat is niet leuk voor mij. Ik ben ook op vakantie.’
‘Kan je helemaal niets doen? Ik ga echt niet meer in die kamer slapen. Dit zijn bedbugs.’
Hoe graag ik dit verloren zieltje zou willen helpen, ik heb echt geen idee. Dit is mijn twee werkdag. Iedereen is al weg. Ik kan niets doen. Ik wil niets doen. Haar zusje komt met al haar spullen aanlopen. Ze blijkt al te zijn gebeten. Vreselijk. Ze staan erbij alsof ze net door Duisters op de trein zijn gezet, hun tassen als enige bezit. Tijdens een kort gesprek heeft de lachebek dé oplossing.
‘Jullie kunnen wel bij hem op de kamer slapen,’ zegt hij wijzend op mij. ‘Hij heeft genoeg ruimte.’
‘Dat kan zeker,’ antwoord ik hoopgevend. ‘Ik slaap alleen wel naakt.’
De lachenbek rolt over de grond van het lachen. De meiden druipen af en ik voel, hoewel dit niet hoeft, me toch verantwoordelijk. Ik loop achter ze aan: ‘Jullie kunnen op de gang slapen op de banken of op de bedjes rond het zwembad, daar is het wel immers donker.’

Tien minuten later lig ik zelf in bed. Ik kan de slaap niet vatten. Deze Zuske en Wiske uit het veilige Nederland hebben werkelijk geen idee, onwetend over de gang van zaken in de wereld. Nooit zelf iets hoeven oplossen. Paps en mams als Bedrijf Oplossing bij minimale problematiek. Het zou me werkelijk niet verbazen als ze nog nooit een neger hebben gezien. Gewoon veiligheid, een kleine wereld. Ze zouden kunnen gaan lopen, de wilde nacht in. Gevaren op de loer. Ik besluit om bij de receptie te checken waar ze zijn. De man spreekt geen woord Engels. Google Translate biedt uitkomst. Aha, ze liggen gewoon lekker op hun kamer, tussen de beestjes. Iets dat je minimaal een keer meegemaakt moet hebben als je reist. Het is waar: reizen maakt volwassen. Al ben ik bang dat er voor Meneer Lachebek geen hoop meer is.

Einde.

Xm

Ho Chi Min. Een eerste nacht.

Toen ik het vliegveld uitliep gebeurde er iets bijzonders, ik leek wel een artiest.

Tachtig miljoen liter chemische zooi gooien de VS tijdens de Vietnamoorlog over dit Zuidoost-Aziatische land. Ik leerde dit in het Oorlogsmuseum, het aantal doden ben ik vergeten. Omdat ik in een labiele fase verkeerde moest ik bij het aanschouwen van enkele foto’s waarop de gevolgen getoond werden, bijna huilen. Zelfs nu nog komen er in Vietnam gedrochten ter wereld variërent van acceptabel mensenlijk tot barbaars onmenselijk. Dit zijn gevolgen van die vreselijke oorlog. Een brok in mijn keel.

Een paar dagen geleden kwam ik aan in deze chaotische brei van mensen, brommers, gebouwen en geluid. Een subtiel verschil met veilig Australie. Tegen alle aanbevelingen in had ik geen contant geld meegenomen. Ik dacht: ik kan mijn visum vast pinnen. Maar aanbevelingen zijn er toch niet voor niets en daar stond ik. Het mannetje achter de desk zwaar geagiteerd. Misschien dacht-ie dat ik Amerikaan was. Gelukkig werd er een oplossing gevonden en alsof het de normaalste zaak van de wereld was, mocht ik door de douane lopen om te pinnen. Natuurlijk had ik ook geen idee wat de huidige wisselkoers was, en toen ik in het scherm bedragen zag die opliepen tot tweehonderdvijftigduizend was de paniek compleet. Natuurlijk heb ik een wisselkoersen-app, maar om ook de Vietnamese dong te kunnen berekeningen moest ik iets extra downloaden. Internet was er wel, maar deed het niet. Ik pinde honderdduizend van die dingen, liep al terug en dacht: dit is niet genoeg. Terug bij de ATM trok ik twee miljoen uit de muur, ik had me nog nooit zo rijk gevoeld – het bleek vijfenzeventig euro. Weer bij de desk bewogen vingers van het boze mannetje razendsnel en na luttele seconden was al mijn geld weg, ging het rolluik omlaag en licht uit. Maar, ik had mijn stempel.

Toen ik het vliegveld uitliep gebeurde er iets bijzonders, ik leek wel een artiest. Ik zag, voordat de schuifdeuren open gingen, al een massa mensen staan, maar toen de porten helemaal open waren werd mijn vermoeden overtroffen. Ik overdrijf niet als ik schrijf dat er vele honderden mensen stonden, druk bewegend en schreeuwend. Wat ze precies deden was een raadsel. Ik wilde bijna teruglopen om dit nog eens te beleven maar mijn taxichauffeur, die ik al geregeld had, liep door.

Aangekomen in mijn hostel, het was inmiddels donker, sloop in onzeker en met een vreemd gevoel richting mijn kamer. Toen ik de deur opende liep ik tegen een muur van penetrante zweetlucht aan. Er lagen al twee mensen te slapen, waarvan er een klaarblijkelijk riekte als een dooie otter. Dit was het dan: mijn eerste nacht op een gezamenlijke kamer. Waar de fuck was in beland? Zachtjes nam ik een douche en beneden ging ik nog even op internet. Het contact met thuisfront dat ik had, deed mij goed. Veiligheid in je hand, waar zijn wij zonder telefoon. Tot overmaat van ramp ontdekte ik terug in de kamer dat de airco het niet deed. Daar lag ik dan. Eindelijk zoals het een waardig backpacker betaamt in een goedkoop stinkend hostel, met twee wildvreemde mensen. Zweet op mijn kop. Slapen deed ik nauwelijks. Ik maalde. Waarom moest ik dit doen? Alleen maar gedoe, stress, zorgen. Echt leuk is het niet in dit vieze hok en ik dacht: geef mij maar oorlog. Maar dat neem ik ruiterlijk terug.

 

 

 

 

Brommers, telt u even mee? 

De afgelopen weken, met de Jo

Ik ga je niet missen. Ik mis je al. En omdat ook jij deze filmpjes zo ongelofelijk kneuterig vindt, doe ik er nog eentje. 

Zie je snel. 

Ik ook van jou.