Kerstochtend: de status van mijn leven

Nu ben ik weer bezig sinaasappelsap te maken, verdomme Mike. Alles wat ik doe deze ochtend – en niet alleen deze ochtend, maar altijd – staat in het teken om vooral niet te doen wat ik hoor te doen; niet te doen wat ik wil doen. Bijvoorbeeld normaal werk zoeken, het huishouden, schrijven of een levensdoel vinden. Ik denk veel na over mijn leven de laatste tijd en ik ben tot een deerniswekkende constatering gekomen: de status van mijn leven is tot een deplorabel dieptepunt gezakt. Ergens voel ik de prangende noodzaak er iets van te moeten maken, moet ik mijn draai zien te vinden, maar de jas van mijn bestaan past niet goed, alsof je een in het Duits nagesynchroniseerde film bekijkt. Er klopt iets niet.

Echt, als er een auto met deuken rondrijdt zitten er altijd negers in

Mijn werk bestaat momenteel uit het bezorgen van meubels. Dit doe ik drie keer per week. Altijd zit ik samen met een iemand ‘op’ de bus en rijd je gebroederlijk door het ganse land. Ik wil mezelf absoluut niet ophemelen of boven anderen stellen, maar laat ik het zo omschrijven: na mijn sollicitatiegesprek waren ze dusdanig blij dat iemand met een IQ boven honderd zich aandiende dat ze me meteen een driejarig contract lieten tekenen voor het geval ik me zou bedenken. Nu zit ik vast in een hel, ik bevind me liever vastgebonden in een Belgische kelder of de Abu Ghraib gevangenis.

Dus daar zit drie keer per week met iemand ‘op’ de bus die eufemistisch minder probeert te snappen van de wereld dan ik of die zo overtuigd is van zijn gelijk dat een discussie voeren uitgesloten is. Zo moeten volgens persoon A. vluchtelingen worden opgevangen in hun eigen land. Als ik dan tegenwerpt dat mensen uit bijvoorbeeld Syrië niet zo maar huis en haar verlaten dan is dat ‘gewoon wel zo’. Hij vroeg trouwens ook wat Syrië was. Persoon B. had ook een wonderbaarlijke quote: ‘Negers kunnen niet autorijden. Echt als er een auto met deuken rondrijdt zitten er altijd negers in en ik mag dat zeggen, want ik heb zelf een buitenlandse vriendin.’ Na dit gezegd hebbende, lachte persoon B. hartstochtelijk om zijn eigen grap en vrat nog een banaan. Hij eet er vijf per dag. Geen woord van gelogen.
Wanneer woorden van een dusdanige strekking mij bereiken probeer ik te analyseren wat zo iemand bedoelt. Maar dit soort teksten staan zo ver van mijn eigen werkelijkheid dat ze bijna poëtisch zijn, ik snap het gewoon niet.

Ik huilde terwijl de wagentjes weer gingen rijden onder gelukzalige kermisgeluiden

Dat onze liefde niet meer is wat het ooit was constateerden wij al tijdens onze reis. Wij samen ontdekten wereldschoon Australië en het was een memorabel reisje in ons witte busje, maar er waren ook momenten van jeuk, zoals de haartjes kriebelend in je nek na een knipbeurt. Wij besloten dat het anders moest. Hoe? Dat wist niemand, maar doorgaan zoals we deden was geen optie. Dit onbestemde gevoel speelde maanden door en zelfs na mijn terugkomst was de werkelijke schade van dit pruttelende besluit niet geheel tot mij doorgedrongen. Het zou wel goed komen, toch?  Ik kon simpelweg niet bevatten – of wilde dit niet – dat onze achtbaanrit der liefde tot stilstand was gekomen. Ik wilde niet zien dat ik móest uitstappen, een onverbiddelijk einde. Ik huilde en vertrok eenzaam terwijl de wagentjes weer gingen rijden onder gelukzalige kermisgeluiden.
Nog steeds droom ik dat de haartjes der irritatie na een ferme douche verdwijnen, maar er komt geen water, er is geen douche. Deze harde constatering en nieuwe realiteit laat een koude leegte achter in mijn onzekere bestaan. Ik mis haar en ik voel een verterende neiging bij haar te willen zijn, met haar te zijn.  Alles is veranderlijk, zelf onze affectie.

Godverdomme.

Gezien mijn onzekerheden behoor ik al lang in een tunnel van depressie zijn te geraakt, ik heb geen idee, wil geen idee en wacht hopeloos op iets wat nooit zal komen. Mijn hoop op liefde is verloren, verzonken als de Titanic. Als ik dat ene, dat kostbare niet had gehad was ik daags na mijn terugkomst in Nederland in een dwangbuis meegenomen naar een gekkenhuis. Daar zou ik tussen lotgenoten fantaseren over hoe mooi een leven zou kunnen zijn. Ik zou meimeren over hoe verziekt de mensheid is, hoe het kan dat populisten als een schimmel over samenlevingen trekken. Ik zou wenen, schreeuwen, krijsen hoe wij met z’n alle de wereld naar de klote helpen.

Vriendschap is als een oude VHS band van een gedenkwaardige jeugdfilm

Dit alles zou werkelijkheid zijn geworden als ik datgene niet had gehad wat ik wel heb: vriendschappen. Godverdommde, waar heb ik ze aan te danken? Mijn vriend uit Amsterdam: ik herinner me hoe je kwam aan rennen op Amsterdam CS. Ik kom echt snel bij je slapen, beloofd. Mijn reisende metgezel en trouwe fan: volgende keer gaan wij samen op pad. Wij vervallen niet in terminale burgerlijkheid. S.K.: jij maakt dingen bij me los die niemand losmaakt, je bent een met goud vervuld bonbonnetje gemaakt van de zuiverste chocolade belegd met marsepein. Maar je bent ook onuitstaanbaar als Pino die schreeuwt in het Duits.
Maar mijn harten Koning, mijn zwarte zwaan, mijn klompje goud,  mijn belichaming van Achilles, James Dean en George Clooney, mijn huisvester, mijn financieel adviseur – en vooral redder -, mijn joodse slijper, mijn mondharmonicanist, mijn bullseye, hole-in-one, én strike in één; mijn perfecte golf, mijn ippon, mijn reddingsboei, mijn-condoompie-op-het-moment-dat-je-er-écht-een-nodig-hebt; jij bent mijn Prozac, Paroxetine, en Sertraline versneden tot een zuiver goedje, jij bent Zeus en mijn Nobelprijs der vriendschap. Ja, jij mijn trouwe vriend.
Vaak deed ik domme dingen, maar je bent er onvoorwaardelijk als een grote broer. Als ik ooit de kans krijg terug te doen wat je voor allemaal voor me doet dan zou ik dat doen. Heb je ooit een nier nodig? Jij krijgt de mijne, of mijn long of hartklep, je vraagt maar. Je mag het allemaal hebben. Ik ben je dankbaar.
De liefde is een schijnspel als een matig decor van een slecht toneelstuk in een buurthuis in Emmeloord, geregisseerd door iemand met een houten been en longemfyseem die zelf ook beseft hoe abominabel en abject zijn werk is. Vriendschap daarentegen is als een oude VHS band van een gedenkwaardige jeugdfilm die je met de juiste techniek, aandacht en procedé tot in de eeuwigheid kunt bekijken zonder oeverloos gejengel en ongekend gezwam. Gewoon vriendschap, simpel doch doeltreffend.

Straks kom je beneden en dan staat er als klein teken van dankbaarheid versgeperste sinaasappelsap voor je klaar. Dat heb je verdiend… O nee, kut vergeten te persen, ik was aan het schrijven. Sorry, weer niet gedaan wat ik hoor te doen…

Xm.

BewarenBewarenBewarenBewaren

BewarenBewaren

Vietnam en mijn vrienden

Opeens stonden zij in mijn nieuwe wereld. Mijn vrienden uit Haarlem kwamen mij bezoeken, dit was even hartverwarmend als bijzonder. Het proces tot een verankerde vriendschap te komen is traag en zet zich vast met verstrijken van tijd. Het cement der vriendschap fundeert langzaam. Liefde voor een vrouw daarentegen is explosiever, als een in de lucht geschoten vuurpijl; voor even is het leuk. Dit ontvlambare element duidelijk getoond in de fase van verliefdheid, die mannelijke vriendschappen niet kent. Ook de afwezigheid van fysieke aantrekkingskracht (al mag mijn lichamelijke passie voor Sander niet onder stoelen of banken geschoven worden) heeft zijn weerslag op een minder exotische beginfase. Maar het dieseltje eenmaal op gang is niet meer te stoppen, en zonder precies te weten hoe en wanneer is er een waardevolle kameraadschap ontstaan waar nauwelijks over wordt gesproken; dat voel je gewoon als man. Om diezelfde Sander te citeren: ‘Als ik had mogen kiezen, was ik homo geworden.’ Daar sluit ik me graag bij aan.

Daar staan ze, trots als een pauw met plastic tieten.

Het was speciaal hen in mijn nieuwe, verwarde reizende bestaan te treffen, alsof je een memorabele jeugdfilm jaren later weer ziet; vertrouwde elementen. Ondanks zij (net als ik eerder) nooit een motor hadden bestuurd, kochten ook zij een Honda Win; de motor van backpackend Vietnam. Het proces van aanschaf paste bij de karakters van de jongens. Haast was geboden dat moet gezegd. De één kocht impulsief, zonder afdingen het eerste exemplaar dat op zijn pad kwam. De andere keek meer de kat uit de boom, wist niet wat hij wilde en tuurde onzeker over het net. Op het laatste moment werd er één gevonden: goedkoop en in verregaande staat van ontbinding. Zijn motor verwond als een soldaat die tijdens D-day Normandie op is gekropen. Met: een rotte vering, scheefstaande voorvork, niet-werkende electronica en het zadel leek een spijkerbed. Kortom geen motor die je je beste vriend gunt en als ik had geweten dat we meer dan elfhonderd kilometer zouden rijden, had ik een andere aangeraden. Ik moest namelijk het proefritje maken. Maar, zoals gezegd haast was geboden. We hadden feitelijk geen keus dus ik zei na een gespannen ritje: ‘Prima motor, lijkt oud, maar rijdt als een ruwe diamant’, ik wees naar de los hangende draadjes ‘kijk, dit voortuig heeft echt karakter.’ Gelukkig was de motor honderdtwintig dollar, wat mijn dubieuze rol in de aanschaf van dit scheurijzer dragelijker maakte. Dus reden wij diezelfde dag als een Amerikaanse motorbende de drukke weg op, om drie weken over hemelse bergpassen te rijden, of door reisvelden waar met Vietnamese hoedjes gedragen vrouwtjes werkten. Ook ontdekten we dropjes waar kinderen joelend naar ons zwaaiden gezien onze zonderlinge verschijning. Het leek wel een film.

Klinkie’s Angels. Oorlogsverklaring met Hells Angels is al verklaard.

Veel backpackers rijden op motoren door Vietnam en negenenvijftig procent van hen valt. Statistisch was ik er zeker van dat minimaal één van ons zou vallen. Daarom offerde ik mijzelf op – ik had ook wat goed te maken tegenover Sander. Ik reed als een ongepolijste idioot in de hoop dat ik zou vallen, en niet zij. Op een mooie middag kwam mijn voorspelling uit. We reden over weergaloze bergpassen door een oogverblindend landschap. In gedachten sneed ik als Valentine Rossi de ene haarspeldbocht na de andere in. In één van de dorpjes, gelegen in een dal, gebeurde het. Een scooter kwam vanaf links de weg op rijden, eromheen scheuren was onmogelijk, een botsing onvermijdelijk. Ik remde en week uit, maar kon niet verhelpen dat mijn schouder de achterop zittende raakte. Ik zwenkte richting een berm, vloog vijf meter door de lucht en landde wonderlijk zacht in het gras. Een woede uitbarsting tot gevolg, wat mijn geschrokken makkers in een zenuwachtig lachen deed geraken. Ik was ongedeerd, maar mijn motor moest naar de xe “Benito” may.

Een verschrikte blik, mijn motor bij de garage. Ik was net gevallen.

Gelukkig zijn overal langs de weg garages te vinden. Je koopt in Vietnam geen motor die goed is, je koopt er één die het doet, en waarvan je mag smeken dat je de bestemming zonder al te veel oponthoud haalt. Van de negentien dagen dat wij een motor hadden, bezochten we er zeventien een garage (de overige twee dagen zaten we op een eiland en reden we niet). Altijd was er iets, soms klein soms groot, en het was vooral Wouters motor, rammelend als een gebit van een bejaarde, die van levensgevaarlijke kwaliteit was; Sanders’ barrel, onverwoestbaar als een marcheerde oorlogsveteraan. Tijdens de zwaarste rit in de bergen voelde Wout dat er iets met zijn rem was. ‘Maar het is vast niet erg’, zei hij lachend ‘wij rijden wel door.’ Maar Sander dacht daar anders over: ’Ga maar ff naar een xe may, ouwe gek.’ We gingen toch maar naar een garage. De monteur haalde vakkundig de remblokken eruit, en toen hij ontdekte dat de blokken van oudheid letterlijk uit elkaar vielen, keek hij met met grote pupillen zijn collega aan en barstte in lachen uit. ‘Bedankt Sander.’

Mooi hoor.

Wouter leek het een goed idee om de statistiek van negenenvijftig procent vallende backpackers te handhaven. Onze beestjes bromde een stijle helling op. Boven aangekomen ontdekten wij een buitenaards mooi landschap dat in mijn geheugen geprent staat. De afdaling, zelfs met nieuwe remblokken, was niet zonder gevaar en remmend daalden wij in als drie teelballen. Op een bepaald punt vond Wout het te langzaam gaan, hij dacht waarschijnlijk: ik heb nieuwe remblokken, wat kan mij gebeuren. Als een schansspringer glijdend van een berg schoot mij voorbij, ik dacht: wat doet hij nou? Weldra kwam dit besef ook bij de man zelf, maar het was te laat. Zijn nieuwe remblokken roodgloeiend, maar hij kon de bocht niet houden en als een stripfiguur hoteldebotelde hij in de berm. Gelukkig zonder al te veel kleerscheuren.

Drie vrienden op een Honda Win door Vietnam, het leek een jongensdroom. Ondanks extra eelt op zijn elegante bilpartij (nogmaals sorry voor de foto) hield Sander’ tweewieler bijzonder goed stand. Iedere keer als ik in mijn spiegel keek en zijn gestalte als een Hells Angel (ferme baard, leren jas) op de motor zag zitten, moest ik inwendig lachen. Woutje reed als een zelfverzekerde motormuis, met een stoer verband om zijn been. Hun nabijheid in mijn nieuwe wereld was van onschatbare waarde. Mijn reis waarvan ik een deel heb beleefd met mijn liefde en alleen, zal vanaf nu ook een deel van hen zijn, dat betekent veel voor me. Volgende keer gaan we op sneeuwscooters door de Noordpool rijden, daar zijn tenminste geen vervelende medeweggebruikers.

Ik hou van jullie.

Xm.

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren