Mijn verjaardagsfeestje en de hallucinatiezuurstok

Door M.H.R. Puttmann

Hoor ik geritsel? Het is die korte tijdsspanne van dwaasheid voor je beseft waar te zijn. Als ik omlaag kijk, zie ik waar het geluid vandaan komt. Het is Benjamin mijn kakkerlak die met een wit voorwerpje speelt. Direct schrik ik echt wakker en voel het gat in mijn gebit. Ik raap het tandje van de grond, Benjamin protesteert. ‘Ff niet’, schreeuw ik. Ze schrikt, haar voelsprieten gaan hangen. ‘Sorry’, zeg ik zacht en ik raap haar op en aai haar. Ze begint te spinnen. ‘Ik ben nog een beetje teleurgesteld over vannacht.’ Ze kijkt me begrijpend aan. ‘Kom, we gaan naar beneden dan maak ik eten voor je.’ Ze springt van het bed. Ik volg en stap het halletje in, de lift staat al klaar. Ik ga naar binnen en druk op het knopje van de begane grond. Beneden aangekomen zet ik koffie in de woonkeuken, waar het kookeiland in een witte zee van ruimte ronddrijft. Benjamin’ lift geeft een belletje, ze stapt naar buiten en begint over de grond te rollen. Ze lijkt wel een kat.
Op het aanrecht staan vier vieze wijnglazen – geen één heeft rode lippenstift. Met een kopje koffie ga ik aan tafel zitten, Benjamin knaagt van haar appelschilletjes. Voor mij ligt het tandje, ik denk aan afgelopen nacht.

Gisteravond vierde ik mijn verjaardag met Huibert, Jurre en Aardt. Eerst gingen we uit eten, daarna naar een disco in Amsterdam. Ik was gretig als een tiener die na zijn examen op zupvakantie mag, maar de avond zou een bijzondere wending krijgen.
De eerste signalen daarvoor kwamen toen we wilden vertrekken. Vanwege de aanwezigheid van mijn vrienden was Benjamin de tuin in gevlucht en nu weigerde Madame Antoinette binnen te komen. Onder hard gelach van mijn kameraden, die warm achter het raam stonden, probeerde ik Prinses Beatrix naar binnen te lokken. Moederlijk en met verhoogde stem riep ik: ‘Benjaaamin, Benjááááán kom je bííínnneen.’ Ik schudde met appelschillen terwijl dampen mijn mond verlieten. Na vijftien minuten begon ik mijn geduld te verliezen, vanwege de kou moest ze naar binnen. Ze zat nog steeds parmantig op het randje van de muur – ze kan heel arrogant zijn en maakte geen aanstalte zich te verroeren. Als ik dichterbij kwam, vergrootte ze zich en blies ze. Ze leek wel een kat. Uiteindelijk heb ik haar, terwijl ijspegels aan mijn neus hingen, bewapend met ovenwanten en een bezem van achter beslopen, sprong ik op en joeg haar naar binnen.
Ik leek wel krankzinnig.

Tijdens onze aankomst bij de disco ontdekten we een te lange rij. Vanwege de kou besloten we niet achter aan te sluiten, maar zochten wij verwarming in de vorm van een bruine kroeg waar de waard leunend over zijn biertaps ons begroette. Hij droeg een schort en had een kaal, rond hoofd. Een oog was bedekt met een ooglap en om zijn arm hing een theedoek. De bruine muur hing vol met versleten fotolijsten, toen ik goed keek zag ik afbeeldingen van dode katten, tenminste zo leek het. Op dat moment kwam er een dik exemplaar, een soortement haarbol binnen waggelen.
‘Aha’ zei de waard ‘dat is Jan-Beter Balkende, mijn huiskat. Ik houd van katten, maar ik houd meer van dode katten. Deze gaat morgen de pijp uit, de oven in. Of overmorgen. Ik moet kijken wanneer het water is ontdooit zodat ik hem in de gracht kan gooien.’
‘Moet het niet Jan-Peter Balkende zijn’, vroeg Jurre.
‘Nee natuurlijk niet, dat was onze minister-president, koekenbakker. Willen jullie een biertje, jongens?’
‘Ja, graag. En heeft u ook sterke drank’, vroeg Huibert.
‘Zeker, wat wil je hebben?’
‘Nee, ik lust geen sterke drank. Ik wilde alleen weten of u het heeft.’
‘Helder. Willen jullie poolen?’
‘Liever kaarten.’
‘Ook goed, ik heb namelijk geen pooltafel.’
De waard kwam van achter zijn toog en gaf ons een pakje kaarten. Pas nu zag ik dat hij een houten been had.
‘Ik heb wel de tweeën, zevens, achten, boeren en azen er uit gehaald.’
‘Prima’ riep Aardt ‘ wordt een leuk potje pesten.’
De waard verdween achter zijn toog.
Na veertig potjes waarvan ik er negenendertig won – één keer speelde ik met mijn ogen dicht – zeiden we gedag. Voordat ik de bar verliet, riep de waard iets na.
‘Het is vandaag uw feestdag, dus hier een cadeau.’
Hij gaf mij een zuurstok en we liepen richting de disco. Het was een barre tocht, de Siberische wind sneed als een mes in mijn gezicht. Gelukkig had ik mijn kleurrijke stok en gingen we naar feestgedruis waar vrouwtjes, bronstig als een lekkende vulpennen, wachtten op mijn aanwezigheid, terwijl dj’s Special K, Super X en Malle M hun deuntjes ten gehore brachten.
Ik had er zin in.

Één hap van mijn zuurstok was genoeg om te weten dat de ramp zich had voltrokken, ik voelde mijn lichaam warm worden van angst. Godverdomme, mijn s-brug had losgelaten, toch? Ik dorst niet te voelen aan mijn loszittende neptand en bevond mij in een woestijn van hoop en vrees.
Eenmaal binnen werd de catastrofe – groter dan Nagasaki en Hiroshima samen – in mijn muil zichtbaar: mijn tandje was echt losgeraakt. Ik had een gat in mijn mond ter grote een fietsenstalling voor bakfietsen. Huilend plofte ik op een bankje terwijl mensen vrolijk binnenstapten, wat een galbakken. Zij weten niet hoe het is om gehandicapt te zijn, dacht ik. Ik kon nu onmogelijk laveloos feestvieren met deze beerput. Ik wilde één ding: naar huis.
‘Ik ga naar huis’, zei ik resoluut.
Mijn vrienden schrokken.
‘Zo erg is het toch niet’, hoorde ik.
‘Dit is mijn grootste nachtmerrie’ zei ik betraand ‘hoe kan ik nu feesten zonder remmen en praten met krolse vrouwmensen, die smachten naar mijn zuurstokje.’
‘Niemand ziet het’, zei Jurre. Ook hij huilde – van het lachen.
De enige reden dat je dat zegt, is omdat je mij niet alleen naar huis kan laten gaan, klootzak, dacht ik. Toch kon ik niet naar huis en hen deze avond ontnemen. Ik ben een autist, maar wel een teamspeler die zijn knakkers niet alleen laat – nou ja, niet altijd. Ik telde tot tien met mijn armen om mijn hoofd gevouwen; ik twijfelde als een vrouw.

Even later liep ik door een tunnel van muziek en licht de dampende ruimte in. Het moet een zonderlinge gewaarwording zijn geweest voor de feestvierders om iemand op de dansvloer te zien staan als een verloren flesje cola in een kratje pils. Sommige mensen probeerden een praatje te maken, maar het enige wat ik kon doen was knikken en weglopen. Mij laven aan een overmatig drankmisbruik om de sores te vergeten, wilde ik niet. Stel dat ik de controle zou verliezen, de volgende dag ergens wakker zou worden zonder te weten waar mijn tandje was – liever een aardbeving.

Aardt leek het een goed idee om op de dansvloer een puntzakje frietjes met special K van Kellogg’s te eten, hij had vast honger. Eten van dergelijke waar is verboden en plots voelde hij een krachtige beveiligers arm op zijn schouder. Of hij even mee kon lopen, Jurre, Huibert en ik volgden onmiddellijk. Staand in het halletje – waar ik eerder die avond huilend had gezeten – en omringd door vier bewakers wachtten wij op Aardt’ uitzetting. Hij leek wel een vluchteling, was dit het einde? Verdomme dacht ik, zo mag de avond niet eindigen, dit is mijn feestje gehandicapt of niet. Ik moet iets doen. Opeens kwam er een vijfde boomstam binnen. ‘We hebben een situatie Overlord’, schreeuwde hij. Alle aandacht van de beveiligers verplaatste zich naar hem. Dit was het moment. Ik duwde Aardt terug naar binnen, gaf hem ter camouflage mijn zwarte vest en snel stonden wij weer in een rivier van genot, plezier en schoonheid.
Ik was terug in de martelgang van mijn eigen feestje en stond erbij als een vegetarische Hans Worst die trek had in een hamburger. Tegen zessen was het klaar en konden we naar huis. Eindelijk.

Thuisgekomen dook ik meteen mijn bed in. Na een diepe slaap werd ik wakker en voelde ik bron van warmte onder de dekens, het was niet Benjamin. Ik opende mijn ogen en zag een halve zuurstok op het nachtkastje. Ook voelde ik iets. Een fluwelen vrouwenarm krioelde door mijn borsthaar. Ik draaide mij om en bewonderde een buitencategorie schone dame die mij slaperig aanschouwde.
‘Hallo. Je lijkt op mijn ex.’
‘Klopt’ lachte ze ‘sterker, ik word jouw ex.’
‘Jeetje, loop je niet te hard van stapel?’
‘Nee. Zullen we trouwen?’
‘Nee zeg. Wil je wel een hap van mijn zuurstok?’
‘Zeker, en ook die op je nachtkastje ligt.’
Ze verdween onder de dekens.
Opeens hoorde ik een gil
‘Nachtegaal met roest op zijn stembanden’ schreeuwt ze ‘mijn s-brug heeft losgelaten.’
En ze rende de kamer uit. Vreemd, zeker ook jarig, dacht ik. Ik ging weer slapen en droomde dat ik wakker was, of wakker droomde ik dat ik sliep; verwarrend allemaal.  Was het leven maar zo doorgrondelijke als een zuurstok, maar pas op als je er eentje eet, zeker als jarig bent…

          Einde.